Brandblusser
|
Deze beschrijving dient ingekort te worden tot maximaal 400 woorden om aan de Richtlijnen van het brandpreventiewoordenboek te voldoen. |
Een brandblusser is een apparaat om het vuur van een kleine Brand te doven. Het bestaat uit een cilinder waarin een beperkte hoeveelheid blusmiddel onder druk staat. Er zijn ook blussers waarin zich een drukpatroon bevindt, die eerst geactiveerd (ingeslagen) moet worden via een rode inslagknop boven op de blusser. Door een opening kan het blusmiddel op het vuur gespoten worden. Hieronder staan de voorwaarden die voor brandblussers gelden in Nederland, inclusief de wetgeving en de normen die voor brandblussers gesteld zijn.
Een brandblusser is geschikt voor een of meerdere brandklassen. Een brandblusser bestaat ruwweg uit drukvat, blusstof en drijfgas. Als er geen drijfgas in het drukvat aanwezig zou zijn, dan kan ook de blusstof niet uit de blusser komen. Sommige blussers hebben daarom een drukmeter (manometer) boven op de blusser zitten. Hierin is te zien of de druk van het drijfgas nog voldoende is om de blusser te activeren.
Men kan daarom een brandblusser ruwweg indelen in twee soorten:
- Blussers die onder permanente druk staan
- Blussers die niet onder druk staan (moet door gebruiker onder druk worden gezet met een inslagknop bijvoorbeeld).
Blussers met een drukpatroon kunnen onderverdeeld worden in:
- Blussers met een inwendig drukpatroon
- Blussers met een uitwendig drukpatroon (hier is het drukpatroon buiten het vat aangebracht)
Soorten
Het blusmiddel kan vloeibaar zijn, maar ook (bijv. in poedervorm) in gasvorm zijn. Veelgebruikte blusmiddelen zijn:
- Water. Een goedkoop middel met een groot koelend effect en (bij een slanghaspel) een onbeperkte aanvoer. Nadelen: vorstgevoelig en water kan gevaarlijk zijn bij gebruik op brandende benzine of olie. Ook onder spanning staande apparatuur kan gevaar opleveren als er water als blusmiddel wordt gebruikt.
- Poeder. Men spreekt dan van een poederblusser. Het poeder bestaat uit een mengsel van ammoniumfosfaat en ammoniumsulfaat. Een poederblusser heeft een groot blussend vermogen, is geschikt voor vele soorten branden, niet elektrisch geleidend en niet vorstgevoelig. Een belangrijk nadeel van een poederblusser is de grote nevenschade aan elektronische apparatuur en de kans op herontsteking van het brandje als er niet goed geblust wordt. Wanneer met een poederblusser is geblust, dan moet het overgebleven poeder met een industriële stofzuiger worden verwijderd. Gebruik geen water om het poeder op te ruimen. Het poeder kan wanneer het in contact komen met de huid diarree veroorzaken omdat ammonium naar de darmen toetrekt.
- Schuim. Men spreekt dan van een schuimblusser.Schuimblussers zijn simpel gezegd gevuld met water en een schuimvormend middel. De blussende werking van schuim berust op afdekking (zuurstof wegnemen) en in geringe maten op afkoeling. De meest toegepaste schuimblussers zijn de zogeheten sproeischuimblussers die door een aanpassing in de spuitmond elke druppel uitstromende vloeistof onderbreken met lucht. Hierdoor ontstaat een nevel, die niet elektrisch geleidend is. Bovendien heeft het mengen van lucht een langere blusduur als gevolg. Door de lange blusduur en de geringe nevenschade is een sproeischuimblusser uitermate geschikt voor thuis en kantoor.
- Koolstofdioxide (CO2). Deze blussers zijn direct te herkennen omdat ze een zwarte expansiekoker of sneeuwkoker aan het uiteinde van de slang hebben. Tussen expansiekoker en slang zit een handvat, dat men tijdens gebruik van de blusser moet vasthouden. Het handvat is nodig omdat het uiteinde van de onbeschermde koker zeer koud wordt (tot ongeveer -80°C) en men door deze extreme kou derdegraads brandwonden op kan lopen.
- Halonen. Vanaf 1 januari 2004 is het gebruik en bezit van halonen in brandblusapparaten en brandbeveiligingssystemen in Nederland en België verboden, zij het met enkele uitzonderingen voor kritische toepassingen (vooral in de civiele luchtvaart en op militair gebied). Er zijn twee soorten Halon: Halon 1211 (Broomchloordifluormethaan) of kortweg BCF dat gebruikt werd in draagbare brandblussers en Halon 1301 (Broomtrifluormethaan) ofwel BTM, aanwezig in stationaire blusgasinstallaties. Het verbod voor Halon staat in verband met de milieuschade die het Halon-gas aan de ozonlaag van de aarde veroorzaakt. Halonblussers werden vooral in computerruimten ingezet omdat het Halon niet schadelijk was voor elektronische apparatuur. Halonen zijn koolwaterstoffen die gehalogeneerd zijn. Ze worden onder druk tot een vloeistof verdicht. De bluswerking wordt gerealiseerd door de negatieve katalytische werking op het verbrandingsproces. Deze negatieve katalyse wordt ook bereikt via een ABC (poeder)blusser. Halon mag niet meer gebruikt worden en de bestaande apparaten dienen te worden ingeleverd.
Andere soorten
- Soms ook wordt zand als blusmiddel gebruikt. In dit geval worden speciale zandbakken geplaatst alwaar men met een schep een brandje kan blussen. Droog zand wordt gebruikt als er stoffen branden die niet met water kunnen worden geblust, zoals benzinebranden of brandende alkalimetalen zoals natrium en kalium.
Gebruik
- De brandblusser kan zowel in huizen, bedrijven, kantoren, auto's en boten aanwezig zijn. In bedrijven en kantoren is daarnaast ook vaak een brandslanghaspel aanwezig. Brandslanghaspels dienen een slanglengte te hebben tussen 20 en 30 meter te hebben met een diameter van 19, 25 of 33mm. De uitgebreide eisen voor brandslanghaspels staan verwoord in de Europese Norm EN 671-1. Slanghaspels kunnen alleen klasse A branden blussen en dienen niet aanwezig te zijn in panden waar de nevenschade (parket, houten wanden e.d.) groot is. In huizen is soms een blusdeken aanwezig. Vroeger stond in veel huizen een emmer zand klaar, waarmee een beginnende brand bedekt kon worden.
- De brandblusser kan niet gebruikt worden om de hete gassen af te koelen die zich bij een brand bovenin de ruimte bevinden. Daarvoor is voornamelijk water geschikt. De brandblusser is enkel bedoeld om het brandende materiaal af te sluiten waardoor er geen zuurstof meer bij kan, en het vuur zal doven. Een veel gemaakte fout is dat iemand het blusmiddel op de vlammen richt, terwijl de bron van de vlammen (het materiaal dat in brand staat) bedekt moet worden. Dit geldt niet voor de poederblusser die werkt namelijk op basis van een negatieve katalyse en die blust hoofdzakelijk door het afvangen van vrije radicalen die de brand in stand houden. Deze werking is ruimtelijk dus hierbij wel in de vlammen richten.
- Poederblussers worden veelvuldig gebruikt. Omdat zij droog poeder bevatten is er geen kans dat de metalen cilinder gaat roesten, en het poeder is vrij goedkoop. Bij oude poederblussers kan het voorkomen dat het poeder gaat klonteren en niet meer geschikt is om een brand mee te blussen. Dit kan ook gebeuren bij brandblussers die aan trillingen blootstaan, hierbij treed het inklink effect op. Het een keer per maand omkeren van de blusser gedurende 30 seconden kan dit verhelpen. Een nadeel van een poederblusser is dat het poeder na gebruik van de blusser zeer moeilijk op te ruimen is. Zoals gezegd moet het poeder na gebruik van een poederblusser met een industriële stofzuiger worden verwijderd. Bij de veelgebruikte kleine poederblussertjes in auto's geldt als bijkomend nadeel dat de blustijd hooguit een paar seconden is. Bluspoeder is een zout die de kleine koperbanen van een elektroprint kan laten oxideren waardoor er storingen in de geleiding kunnen ontstaan, hierdoor is het mogelijk dat er maanden na de blussing pas storingen optreden. Het poeder trekt namelijk langzaam maar zeker vocht aan, hierdoor kan het zout zijn schade veroorzaken.
- Koolzuursneeuwblussers, ook wel CO2-blussers genoemd, zijn geschikt voor het blussen van vloeistofbranden en branden in onder spanning staande apparatuur. Het blussen gebeurt doordat de CO2 de zuurstof verdringt en door afkoeling. Bij het expanderen van de vloeibare CO2 in gasvorm wordt het grote zwarte mondstuk van de blusser erg koud (-80 C°) en daarom moet de brandblusser altijd aan het handvat worden vastgehouden. Een voordeel van een koolzuursneeuwblusser is dat de blusstof (CO2) bij gebruik geen reststoffen achterlaat, en daarom worden koolzuursneeuwblussers onder meer toegepast bij hoogwaardige elektronische apparatuur. Het nadeel van CO2-blussers ligt vooral in besloten kleine ruimten. Zuurstof wordt door de kooldioxide blusser verdreven en de kleine ruimten vullen zich dan met CO2 waardoor degene die de blussing uitvoert kan stikken. Bij een blussing in kleine ruimten (wc’s en kleine bergingen) dient men hier wel rekening mee te houden.
| Bronnen: |
Licentie: |
|