3 berichten aan het bekijken - 1 tot 3 (van in totaal 3)
  • Auteur
    Berichten
  • jan hus
    Participant
    Post count: 534
    #260 |

    http://www.raadvanstate.nl/verdicts/ver … t_id=14964

    Over deze uitspraak staat een interessant artikeltje ‘Bouwregels in praktijk’ (okt 2006) van meester Van den Bercken; een citaatje daaruit:

    ""

    Joachim BolteJoachim Bolte
    Moderator
    Post count: 2256

    Blijkbaar kan de brandweer Rotterdam voldoende overtuigend argumenteren in een rechtszaak… :lol: Ze hadden het ook wel mee dat ze naar elke recreatiewoning al uitgebreid individueel onderzoek hadden gedaan, dat heb je echt wel nodig om zo’n zaak te winnen.

    De eis van de gemeente was overigens niet ‘abnormaal’ ofzo, dat ging gewoon op het in overeenstemming brengen met de eis voor bestaande bouw. De rechter heeft het in dit geval wellicht wat cru gesteld, maar de brandweer is niet buiten haar boekje gegaan, en de aanschrijving was correct.

    De brandweer mag dan meer of minder specialistisch zijn, ze is wel de adviseur van bouw- en woningtoezicht bij een aanschrijving. In een rechtszaal zullen zij zich dan ook moeten verdedigen als zodanig. De rechter bepaalt dan of de noodzakelijke expertise aanwezig is. Dit wil echter niet zeggen dat vanwege die expertise zomaar van regels afgeweken mag worden, of dat er geen onderzoek meer moet worden gedaan.

    Het is dus altijd een én én situatie. Er dient expertise, onderzoek en wetgeving aan en advies ten grondslag te liggen, dat was in dit geval dus ook zo. (lees de uitspraak er maar eens op na). Hoera voor Rotterdam en haar brandweer, dus! :wink:

    Joachim BolteJoachim Bolte
    Moderator
    Post count: 2256

    Ik zal de interessante onderelen even onderstrepen

    1. Procesverloop

    Bij afzonderlijke besluiten van 27 februari 2004 heeft het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoek van Holland (hierna: het dagelijks bestuur) appellanten, onder oplegging van een dwangsom, gelast bouwkundige voorzieningen te treffen aan hun recreatieverblijf of een gekoppeld rookmeldsysteem te plaatsen, dan wel het gebruik van de logiesfunctie te staken en gestaakt te houden.

    Bij besluit van 24 mei 2004 heeft het dagelijks bestuur, voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 20 juni 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak heeft de stichting "Rotterdam aan Zee", namens appellanten, bij brief van 28 juli 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 augustus 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

    Bij brief van 25 april 2006 heeft het dagelijks bestuur van antwoord gediend.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 mei 2006, waar appellanten, bijgestaan door mr. I. Correljé, advocaat te Hoek van Holland, en ir. P.H.E. van de Leur, werkzaam bij het expertisecentrum Regelgeving Bouw, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. S.G.J. Klok en R.A. Rijlaarsdam, beiden ambtenaar van de gemeente. Voort is namens het dagelijks bestuur verschenen ir. R.E.M. van Herpen.

    2. Overwegingen

    2.1. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders, indien een gebouw, niet zijnde een woning, woonkeet of woonwagen, wegens strijd met de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften of uit anderen hoofde noodzakelijk voorzieningen behoeft dan wel wegens strijd met de in artikel 2, tweede lid, bedoelde voorschriften voorzieningen behoeft, degene die als eigenaar of uit anderen hoofde tot het treffen van die voorzieningen bevoegd is, aanschrijven binnen een door hen te bepalen termijn de door hen aan te geven voorzieningen te treffen.

    Ingevolge artikel 2.110, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003, zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold, (hierna: het Bouwbesluit), is een bestaand bouwwerk zodanig dat de uitbreiding van brand voldoende wordt beperkt.

    Ingevolge artikel 2.111, eerste lid, voor zover hier van belang, ligt een besloten ruimte van een gebouw in een brandcompartiment.

    Ingevolge artikel 2.113, eerste lid, voor zover hier van belang, is de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, niet lager dan 20 minuten.

    Ingevolge artikel 2.121, eerste lid, ligt een al dan niet gemeenschappelijke verblijfsruimte in een subbrandcompartiment.

    Ingevolge het tweede lid van het vorenbedoelde artikel, ligt een subbrandcompartiment in een brandcompartiment.

    . Aldus strekt de aanschrijving ertoe dat elk recreatieverblijf afzonderlijk in een brandcompartiment ligt. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Aan de vraag die partijen in hoger beroep met name verdeeld houdt, namelijk of de afzonderlijke recreatieverblijven als subbrandcompartimenten als bedoeld in artikel 2.121 kunnen worden aangemerkt, wordt derhalve niet toegekomen.

    2.2. Gelet op het voorgaande wordt het hoger beroep aldus opgevat dat het dagelijks bestuur appellanten ten onrechte heeft aangeschreven tot het treffen van bouwkundige voorzieningen, die ertoe strekken dat ten aanzien van de als afzonderlijke brandcompartimenten aangemerkte recreatieverblijven een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag wordt bereikt die niet lager is dan 20 minuten.

    2.2.1. Dat, zoals appellanten naar voren hebben gebracht, voor de recreatieverblijven een bouwvergunning is verleend, . Nu is aangeschreven met het oogmerk om te voldoen aan de eisen die het Bouwbesluit voor bestaande bouw stelt, .

    2.2.2. Niet in geschil is dat een recreatieverblijf een logiesfunctie zoals bedoeld in artikel 2.110 van het Bouwbesluit heeft. Uit artikel 2.111, eerste lid, van het Bouwbesluit volgt dat zo’n verblijf, als afzonderlijk gebouw met een logiesfunctie, in een brandcompartiment ligt.

    2.2.3. Het betoog van appellanten dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om aan te schrijven tot het treffen van voorzieningen aan de bij de recreatieverblijven behorende bergingen faalt. Uit het Bouwbesluit volgt niet dat een berging niet kan worden aangemerkt als onderdeel van de gebruiksfunctie ten dienste waarvan deze staat. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat blijkens de toelichting op dat besluit een gebruiksfunctie alles omvat waarop die gebruiksfunctie is aangewezen (Stb 2001, 410, p. 177). Gelet hierop is er geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de bij de recreatieverblijven behorende bergingen niet heeft kunnen aanmerken als behorend tot de logiesfunctie, zodat ook die onderdeel uitmaken van het brandcompartiment.
    2.2.4.
    . In laatstbedoeld onderzoek is elk recreatieverblijf op de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. De aanschrijvingen steunen verder op de verklaring van het hoofd preventie van de brandweer van de gemeente Rotterdam dat dat een afstand van 3 meter tussen de recreatieverblijven gelijk staat aan een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van 20 minuten.

    Mede in aanmerking genomen de betrokkenheid van , is er geen grond voor het oordeel dat het dagelijks bestuur er op basis van deze gegevens niet van heeft kunnen uitgaan dat voor de recreatieverblijven waarop de aanschrijvingen betrekking hebben niet is voldaan aan dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment niet lager is dan 20 minuten, zodat evenmin is voldaan aan de in artikel 2.110, eerste lid, van het Bouwbesluit gestelde functionele eis. . Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit die adviezen niet kan worden afgeleid dat – in tegenstelling tot het uitgangspunt van de aanschrijvingen – . Evenmin is aannemelijk geworden dat wanneer de recreatieverblijven niet alleen aan de buitenzijde, maar ook aan de binnenzijde zouden zijn geïnspecteerd, de conclusie zou moeten worden getrokken dat aan de vorenbedoelde eis wordt voldaan.

    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het dagelijks bestuur, tot het treffen van de bouwkundige voorzieningen.

    2.3. Ingevolge artikel 23, derde lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, laten burgemeester en wethouders, indien zij van oordeel zijn dat de kosten, verbonden aan de uitvoering van een aanschrijving, niet in redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten opbrengsten en de aanschrijving betrekking heeft op een niet tot bewoning bestemd gebouw, bij die aanschrijving de keuze tussen enerzijds het treffen van de voorzieningen en anderzijds het binnen een door hen in de aanschrijving te bepalen termijn staken of doen staken van het gebruik, in verband waarmede de voorzieningen worden gelast.

    Anders dan appellanten betogen heeft het dagelijks bestuur, op basis van dit artikellid, bij de aanschrijving een keuze kunnen laten tussen het treffen van de bouwkundige voorzieningen en het staken van het gebruik van het recreatieverblijf voor nachtverblijf. Daartoe wordt overwogen dat, anders dan appellanten kennelijk veronderstellen, een recreatieverblijf moet worden aangemerkt als een niet voor bewoning bestemd gebouw.

    2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop die rust.

    2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

    2.6. Evenmin bestaat aanleiding voor het op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek van appellanten om schadevergoeding, aangezien het hoger beroep ongegrond is.

    3. Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

    Recht doende in naam der Koningin:

    I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

    II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

3 berichten aan het bekijken - 1 tot 3 (van in totaal 3)

Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.