Brandpreventieforum Forums Jurisprudentie en wetgeving LJN: AZ7449, Raad van State , 200602483/1

2 berichten aan het bekijken - 1 tot 2 (van in totaal 2)
  • Auteur
    Berichten
  • jan hus
    Bijdrager
    Post count: 534
    #443 |

    LJN: AZ7449, Raad van State , 200602483/1

    Datum uitspraak: 31-01-2007
    Datum publicatie: 31-01-2007
    Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
    Soort procedure: Hoger beroep
    Inhoudsindicatie: Bij besluit van 4 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college), voor zover thans van belang, appellant onder voorwaarden een gebruiksvergunning verleend voor het in gebruik hebben van de [horeca-inrichting], gevestigd in het pand op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Leiden.

    Uitspraak

    200602483/1.
    Datum uitspraak: 31 januari 2007

    AFDELING
    BESTUURSRECHTSPRAAK

    Uitspraak op het hoger beroep van:

    [appellant], wonend te Leiden,

    tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1157 van de rechtbank
    ‘s-Gravenhage van 6 maart 2006 in het geding tussen:

    appellant

    en

    het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

    1. Procesverloop

    Bij besluit van 4 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college), voor zover thans van belang, appellant onder voorwaarden een gebruiksvergunning verleend voor het in gebruik hebben van de [horeca-inrichting], gevestigd in het pand op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te Leiden.

    Bij besluit van 31 januari 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 6 maart 2006, verzonden op 9 maart 2006, heeft de rechtbank ‘s-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 31 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

    Bij brief van 15 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

    Bij brief van 21 juni 2006 heeft appellant een nadere reactie ingediend.

    Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 november 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L. van Heijningen, advocaat te ‘s-Gravenhage, en het college, vertegenwoordigd door M.E.T. Rijntjes-van Giezen en P.A. Bakker, beiden ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

    2. Overwegingen

    2.1. Het geschil ziet op de aan de gebruiksvergunning verbonden voorwaarde, inhoudende dat de horecagelegenheid tot een afstand van 20 meter, gemeten vanaf de toegangssluis, in gebruik gehouden mag worden, waardoor het op de bij de vergunning behorende tekening aangegeven restaurantgedeelte en het terras niet voor publiek toegankelijk mogen zijn.

    2.2. Het betoog van appellant dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen gebruiksvergunning is vereist, omdat hem reeds in 1992 een mondelinge gebruiksvergunning is verleend, faalt. De door appellant bedoelde mondelinge akkoordverklaringen uit 1992 van de zijde van de politie, de brandweer en het gemeentelijk bouwtoezicht kunnen, wat daar verder van zij, niet op één lijn worden gesteld met een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1., eerste lid, van de Bouwverordening 1992 van de gemeente Leiden (hierna: de Bouwverordening), nu dit artikel het oog heeft op een schriftelijk door het college van burgemeester en wethouders te verlenen gebruiksvergunning. Daarnaast kan, anders dan appellant betoogt, de bij besluit van 19 maart 2001 verleende tapvergunning niet gelijk worden gesteld met een gebruiksvergunning.

    2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan artikel 6.1.1. van de Bouwverordening en de Technische (brand)veiligheidsvoorschriften voor bestaande horecabedrijven van rechtswege geen betekenis toekomt door de gelding van het Bouwbesluit 2003 (hierna: Bouwbesluit).

    2.3.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit het oogpunt van veiligheid technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van woningen, woonketen, woonwagens en andere gebouwen.

    Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, worden bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur voorts uit het oogpunt van veiligheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen, woonketen en woonwagens en van bestaande andere gebouwen.

    Ingevolge artikel 2.146, tiende lid, van het Bouwbesluit is de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en ten minste een toegang van die ruimte niet groter dan de in tabel 2.145.1 aangegeven waarde.

    Ingevolge tabel 2.145.1 is de loopafstand bij bezettingsgraadklasse B1, waar het hier om gaat, niet groter dan 20 meter.

    2.3.2. Ingevolge artikel 8, eerste en tweede lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, stelt de gemeenteraad een bouwverordening vast die voorschriften bevat omtrent het gebruik van woningen en andere gebouwen, waaronder in elk geval zijn begrepen voorschriften met betrekking tot de brandveiligheid.

    Ingevolge artikel 6.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van de Bouwverordening is het verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin meer dan vijfentwintig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis.

    Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat burgemeester en wethouders aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden kunnen verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand. Hieronder worden onder meer begrepen voorwaarden met betrekking tot uitgangen en vluchtwegen.

    2.3.3. De hiervoor bedoelde Technische (brand)veiligheidsvoorschriften beogen een nadere invulling te geven aan de bevoegdheid van het college om voorwaarden aan een gebruiksvergunning te verbinden. Bij besluit van het college van 10 maart 2003 zijn deze voorschriften als beleidsregels vastgesteld. Blijkens artikel 2.59.3 van deze beleidsregels is de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en ten minste een toegang van die ruimte bij bezettingsgraadklasse B1, waar het hier om gaat, niet groter dan 20 meter.

    2.3.4. Hoewel appellant terecht betoogt dat de rechtbank geen uitdrukkelijk oordeel heeft gegeven over zijn hiervoor weergegeven betoog, leidt dit niet tot het daarmee beoogde doel.

    De Afdeling stelt voorop dat het onderwerp van de Bouwverordening, gebaseerd op artikel 8, eerste en tweede lid, van de Woningwet, verschilt van dat van het Bouwbesluit, gebaseerd op artikel 2, eerste en tweede lid, van de Woningwet. De Bouwverordening geeft voorschriften omtrent het gebruik van woningen en andere gebouwen, terwijl het Bouwbesluit technische voorschriften geeft waaraan bij het bouwen ten minste moet zijn voldaan en waaraan een bestaand bouwwerk ten minste moet voldoen. Het betoog van appellant dat aan artikel 6.1.1. van de Bouwverordening geen betekenis toekomt, kan gelet hierop niet slagen.

    Artikel 6.1.1., eerste lid, aanhef en onder a, van de Bouwverordening bindt het gebruik van een bouwwerk waarin een verhoogde kans op brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal uitgebroken brand aanwezig is, aan een gebruiksvergunning. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kunnen aan de gebruiksvergunning voorwaarden worden verbonden. Het college heeft de in geding zijnde gebruiksvoorwaarde ontleend aan artikel 2.59.3 van de beleidsregels. De in dit artikel neergelegde maximale loopafstand van 20 meter komt overeen met de norm die op grond van artikel 2.146, tiende lid, van het Bouwbesluit voor nieuwbouw geldt.

    De Afdeling acht artikel 2.59.3 van de beleidsregels niet onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het college ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Woningwet een aanschrijvingsbevoegdheid heeft tot het treffen van voorzieningen aan bestaande gebouwen, waarbij onder de daar vermelde voorwaarden kan worden aangeschreven tot aan het niveau van de eisen voor nieuwbouw als bedoeld in het Bouwbesluit. Voorts wordt in aanmerking genomen dat de hiervoor bedoelde maximale loopafstand van 20 meter niet strenger is dan de norm die op grond van artikel 2.146, tiende lid, van het Bouwbesluit voor nieuwbouw geldt. Ook overigens heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom in artikel 2.59.3 van de beleidsregels aansluiting is gezocht bij het in het Bouwbesluit voor nieuwbouw vormgegeven veiligheidsniveau.

    2.4. Appellant betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de enige toegang tot de openbare weg wordt gevormd door de voordeur aan de [locatie]. Blijkens het hoger beroepschrift komt de deur aan de achterzijde van de horeca-inrichting uit op een bootterras dat grenst aan een gracht. Vanaf dit bootterras is de aan de overkant van de gracht gelegen kade niet direct bereikbaar. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de enige toegang tot de openbare weg wordt gevormd door de voordeur aan de [locatie] zodat artikel 2.59.3 van de beleidsregels van toepassing is.

    2.5. Het betoog van appellant dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hem voorgestelde brandmeldinstallatie in combinatie met een ontruimingsalarminstallatie niet als een gelijkwaardig alternatief kan worden aangemerkt, faalt eveneens. Blijkens artikel 1.7 van de beleidsregels, voor zover thans van belang, behoeft niet meer aan een voorschrift als bedoeld in hoofdstuk 2 van de beleidsregels te worden voldaan, voor zover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift. De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen grond aanwezig is om te twijfelen aan het oordeel van de Leidse brandweer zoals weergegeven in het rapport van 22 januari 2004, inhoudende dat het voorgestelde alternatief geen gelijkwaardige oplossing biedt. De rechtbank heeft gelet hierop terecht geoordeeld dat het college de hiervoor bedoelde (combinatie van) installatie(s) terecht niet als een gelijkwaardig alternatief als bedoeld in artikel 1.7 van de beleidsregels heeft aangemerkt.

    2.6. Appellant betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college in een uitgevoerde oefening, waaruit volgens hem is gebleken dat binnen één minuut de ontruiming van de horeca-inrichting kan worden gerealiseerd, uitgaande van een maximale loopafstand van 27 meter, ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om van de norm van 20 meter af te wijken.

    2.6.1. Dit betoog faalt eveneens. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheden waaronder de oefening is uitgevoerd niet representatief zijn voor de situatie waarin daadwerkelijk sprake is van brand. Zo waren de aanwezige personen bij het uitvoeren van de oefening op de hoogte van het feit dat sprake was van een oefening. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat het college in de uitgevoerde oefening geen aanleiding heeft hoeven te zien om van de norm van 20 meter af te wijken.

    2.7. Gelet op het vorenstaande is er geen grond voor het oordeel dat de door het college aan artikel 2.59.3 van de beleidsregels gegeven toepassing voor appellant gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Te meer nu, zoals het college ter zitting heeft benadrukt, het achterste gedeelte van de horeca-inrichting verlaagd is gelegen, waardoor vanuit dat gedeelte geen zicht bestaat op de uitgang aan de [locatie], heeft het college terecht geen grond gezien de aan artikel 2.59.3 van de beleidsregels ontleende voorwaarde niet aan de gebruiksvergunning te verbinden. De rechtbank is, zij het op andere gronden, terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

    2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het deels met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

    2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

    3. Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

    Recht doende in naam der Koningin:

    bevestigt de aangevallen uitspraak.

    Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. W. van den Brink en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van Staat.

    w.g. Van Buuren w.g. Van der Vlis
    Voorzitter ambtenaar van Staat

    Uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2007

    218-531.

    jan hus
    Bijdrager
    Post count: 534

    LJN: AY5651, Rechtbank ‘s-Gravenhage , AWB 05/1157 VEROR

    Datum uitspraak: 06-03-2006
    Datum publicatie: 04-08-2006
    Rechtsgebied: Bestuursrecht overig
    Soort procedure: Eerste aanleg – enkelvoudig
    Inhoudsindicatie: Gebruiksvergunning. Eetcafé. Voorwaarde inzake vluchtmogelijkheden bij brand. Niet onredelijk om aan te sluiten bij eisen voor nieuwbouw van Bouwbesluit 2003

    Uitspraak

    Rechtbank ‘s-Gravenhage
    sector bestuursrecht
    eerste afdeling, enkelvoudige kamer

    Reg. nr. AWB 05/1157 VEROR

    UITSPRAAK
    als bedoeld in artikel 8:77
    van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

    Uitspraak in het geding tussen

    [eiser], wonende te Leiden, eiser,

    en

    het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder.

    Ontstaan en loop van het geding

    Bij besluit van 1 november 2002 heeft verweerder een gebruiksvergunning op grond van de Bouwverordening van de gemeente Leiden (hierna: de Bouwverordening) verleend voor het [adres], bekend als eetcafé [eetcafé].

    Eiser heeft hiertegen op 22 november 2002 een bezwaarschrift ingediend.

    Bij besluit van 4 maart 2004, verzonden op 12 maart 2004, heeft verweerder het besluit van 1 november 2002 ingetrokken onder gelijktijdige verlening van een nieuwe gebruiksvergunning die in de plaats treedt van de ingetrokken vergunning en geldt met terugwerkende kracht vanaf 1 november 2002.

    Bij brief van 19 maart 2004 heeft eiser te kennen gegeven ook tegen de nieuwe vergunning bezwaar te maken.

    Bij besluit van 31 januari 2005, verzonden op 4 februari 2005, heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 7 januari 2005, het bezwaar ongegrond verklaard.

    Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 februari 2005, ingekomen bij de rechtbank op 25 februari 2005, beroep ingesteld.
    Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

    Eiser heeft enige stukken overgelegd.

    Het beroep is op 12 december 2005 ter zitting behandeld.
    Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L. van Heijningen, advocaat te ‘s-Gravenhage.
    Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Rijntjes en A. Bakker.

    Motivering

    Aan de gebruiksvergunning zijn voorschriften verbonden in verband met de brandveiligheid. Daaronder is de voorwaarde dat het eetcafé tot een afstand van 20 meter, gemeten vanaf de toegangssluis, in gebruik gehouden mag worden, waardoor het op een bij de vergunning behorende tekening aangegeven restaurantgedeelte en het terras niet voor publiek toegankelijk zijn. Ter zitting is gebleken dat uitsluitend deze voorwaarde in geschil is. Als gevolg van deze voorwaarde kan circa een derde gedeelte van het pand niet meer door publiek gebruikt worden.

    Ingevolge artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, van de Bouwverordening is het verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden, waarin meer dan vijfentwintig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een één- of meergezinshuis.
    Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders aan de gebruiksvergunning slechts voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en beperken van ongevallen bij brand.

    De betwiste voorwaarde is ontleend aan de Technische brandveiligheidsvoorschriften voor bestaande horecagebouwen. Deze voorschriften worden sinds 2001 door verweerder toegepast. De Technische brandveiligheidsvoorschriften zijn op 10 maart 2003 door verweerder als beleidsregel vastgesteld en op 14 maart 2003 gepubliceerd. Deze beleidsregel beoogt onder meer een nadere invulling te geven van de bevoegdheid van verweerder om op grond van artikel 6.1.1, tweede lid, van de Bouwverordening voorwaarden aan een gebruiksvergunning te verbinden.

    Blijkens de Inleiding bij de Technische brandveiligheidsvoorschriften zijn deze een aanvulling op het Bouwbesluit 2003, omdat de daarin opgenomen voorschriften inzake de brandveiligheid voor bestaande gebouwen naar het oordeel van verweerder een te laag niveau van brandveiligheid waarborgen.
    Dit niveau is ongeveer het niveau waarop omstreeks 1930 werd gebouwd en is in strijd met het uitgangspunt dat de voorschriften in het Bouwbesluit 2003 voor nieuwbouw het minimumniveau (het vangnet) aangeven. Op een aantal plaatsen in de Technische brandveiligheidsvoorschriften is gekozen voor het niveau voor nieuwbouw. Dit is met name het geval bij de voorschriften die te maken hebben met het veilig en op tijd kunnen vluchten uit een gebouw. Dit omdat een gebruiker van een bestaand gebouw ook het recht heeft om op tijd uit een in brand staand gebouw te kunnen vluchten, aldus de Inleiding.

    In artikel 2.59.3 van de Technische brandveiligheidsvoorschriften is bepaald dat de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en ten minste een toegang van die ruimte niet groter is dan – bij bezettingsgraadklasse B1, B2 of B3 – 20 meter. Ter zitting is door verweerder toegelicht dat het eetcafé als één verblijfsruimte in de zin van de Technische
    brandveiligheidsvoorschriften moet worden aangemerkt. De enige toegang tot de openbare weg wordt gevormd door de voordeur aan de [adres]. Vast staat verder dat het eetcafé in bezettingsgraadklasse B1 valt. Gelet hierop is artikel 2.59.3 hier van toepassing.
    Dit voorschrift komt overeen met artikel 2.146, tiende lid, van het Bouwbesluit 2003. Op grond van die bepaling geldt voor nieuwbouw dat de loopafstand tussen een punt in een verblijfsruimte en ten minste een toegang van die ruimte niet groter is dan – voor een "andere bijeenkomstfunctie" in bezettingsgraadklasse B1 – 20 meter.

    Eiser is van mening dat verweerder geen brandveiligheidseisen voor nieuwbouw uit het Bouwbesluit 2003 als voorwaarde aan de gebruiksvergunning mag verbinden, maar moet aansluiten bij de normen die voor bestaande bouw worden gesteld.

    In de circulaire van 17 juli 2003, nr. MG 2003-19, Brandveiligheid: Bouwbesluit 2003 in relatie tot aanschrijvingen en gebruiksvergunningen, is de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ingegaan op de verhouding tussen de brandveiligheidseisen op grond van het Bouwbesluit 2003 en de voorwaarden die aan een gebruiksvergunning krachtens de gemeentelijke bouwverordening verbonden mogen worden. Blijkens deze circulaire staat het rijksbeleid toe dat bij het verlenen van een gebruiksvergunning verdergaande voorwaarden worden gesteld dan het niveau dat in het Bouwbesluit 2003 voor bestaande bouw geldt, mits deze voorwaarden niet strenger zijn dan de eisen die het Bouwbesluit 2003 voor nieuwbouw stelt. De circulaire vermeldt dat voor het verlenen van een gebruiksvergunning vertrekpunt is dat de betreffende gebruiksfunctie voldoende veiligheid biedt voor de gebruikers. Daartoe worden de bouwtechnische staat van het bouwwerk en de aard en de intensiteit van het feitelijk gebruik van die functie in samenhang beoordeeld. Als een gebruiksfunctie in het concrete geval niet blijkt te voldoen aan het noodzakelijk geachte veiligheidsniveau zal gezocht moeten worden naar een maatoplossing, waarbij door een combinatie van inrichtingstechnische, gebruiksbeperkende en/of bouwtechnische ingrepen de betreffende gebruiksfunctie op het vereiste niveau wordt gebracht.

    Hieruit blijkt dat het rijksbeleid aan verweerder toestaat om aan een gebruiksvergunning voor een bestaand bouwwerk voorwaarden te verbinden tot maximaal het niveau dat het Bouwbesluit 2003 voor nieuwbouw voorschrijft, mits die voorwaarden worden gerechtvaardigd door de in het concrete geval te stellen eisen aan de brandveiligheid. Deze eisen dienen door het gemeentebestuur te worden vastgesteld, waarbij het rijksbeleid – behoudens genoemd maximumniveau – geen nadere eisen stelt. De rechtbank acht dit in overeenstemming met artikel 6.1.1, tweede lid, van de Bouwverordening, dat aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om voorwaarden in het belang van de brandveiligheid aan de gebruiksvergunning te verbinden.

    De rechtbank overweegt voorts dat, nu artikel 6.1.1, tweede lid, van de Bouwverordening een bevoegdheid geeft, verweerder op grond van artikel 4:81 van de Awb voor de uitoefening van deze bevoegdheid beleidsregels kan vaststellen, de Technische brandveiligheidsvoorschriften.

    De in artikel 2.59.3 van de Technische brandveiligheidsvoorschriften neergelegde maximale loopafstand van 20 meter komt overeen met de norm die op grond van artikel 2.146, tiende lid, van het Bouwbesluit 2003 voor nieuwbouw geldt. Blijkens de toelichting bij artikel 2.59 is gekozen voor dit niveau om te waarborgen dat een gebruiker van een gebouw binnen één minuut een in brand staand deel van een gebouw kan verlaten. De rechtbank stelt vast dat deze doelstelling eveneens ten grondslag ligt aan de in artikel 2.146 van het Bouwbesluit 2003 neergelegde eisen (Nota van toelichting, Stb. 2001, 410, p. 226-227). Voorts heeft verweerder zoals gezegd als argument voor het op dit punt aansluiten bij de eisen voor nieuwbouw genoemd dat een gebruiker van een bestaand gebouw ook het recht heeft om op tijd uit een in brand staand gebouw te kunnen vluchten. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus de in artikel 2.59.3 neergelegde afstandsnorm deugdelijk gemotiveerd. Dat deze norm beperkingen kan opleggen aan het gebruik van bestaande horecagebouwen leidt niet tot een ander oordeel. Dit is inherent aan de door verweerder gemaakte keuze om gebruikers van bestaande gebouwen dezelfde vluchtmogelijkheden te bieden als in nieuwbouwsituaties. Die keuze blijft binnen de door de rijksoverheid voorgestane beleidsmarges bij de toepassing van artikel 6.1.1, tweede lid, van de Bouwverordening en kan, gelet op het grote belang dat is gediend met het bieden van goede vluchtmogelijkheden bij brand, niet kennelijk onredelijk worden geacht.
    Dat de afstandsnorm van 20 meter niet realistisch (want: te kort) zou zijn, zoals eiser stelt, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Het gaat hier om een norm die op basis van actuele inzichten inzake vluchtmogelijkheden bij brand in het Bouwbesluit 2003 is neergelegd. Eiser stelt dat in door hem uitgevoerde oefeningen ook in de huidige situatie, met een maximale loopafstand van 27 meter tot de voordeur van het eetcafé, een ontruiming binnen één minuut gerealiseerd kan worden. Ter zitting heeft hij opnames van deze oefeningen getoond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hierin geen aanleiding hoeven te zien om in dit geval van de norm van 20 meter af te wijken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting namens de brandweer Leiden is betoogd dat de door eiser uitgevoerde oefeningen een gunstiger beeld geven dan in een echte brandsituatie, aan welke kritiek de rechtbank geen aanleiding ziet te twijfelen.

    Eiser heeft voorts gesteld dat door het plaatsen van een brandmeldinstallatie met volledige bewaking in combinatie met een ontruimingsalarminstallatie een gelijkwaardige veiligheid kan worden geboden, waardoor de 20 meter-beperking niet noodzakelijk is.

    In artikel 1.7 van de Technische brandveiligheidsvoorschriften, voor zover hier van belang, is bepaald dat aan een in het tweede hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, niet behoeft te worden voldaan, voor zover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid biedt als is beoogd met het betrokken voorschrift.

    Eiser heeft zijn stelling gebaseerd op een rapport van Adviesbureau [adviesbureau] B.V. van 23 september 2003. Daarin wordt voormelde installatie geadviseerd, omdat door rookmelders de rook/brandhaard snel kan worden gedetecteerd en het publiek snel wordt gealarmeerd, zodat de ontruiming snel kan aanvangen. In reactie hierop is door de brandweer Leiden in een rapport van 22 januari 2004 gesteld dat de voorgestelde installatie geen gelijkwaardige oplossing is om het overbruggen van te grote fysiek af te leggen loopafstanden toe te staan. Hierbij is er op gewezen dat de installatie deze loopafstand niet verkleint, dat de vluchtroute door de lange en smalle horecagelegenheid onoverzichtelijk is en dat de gevoelige rookmelders door het intensieve gebruik, rokende personen, bakken en braden frequent nodeloos geactiveerd zullen worden – dit gebaseerd op uitrukstatistieken van de brandweer – met het risico dat het personeel en de bezoekers de alarmering niet meer serieus nemen of in het ergste geval dat het personeel de installatie uitschakelt of de alarmering vertraagt. De rechtbank ziet geen aanleiding aan dit oordeel te twijfelen. Eiser heeft ook geen contra-expertise van een deskundige ingebracht. Verweerder heeft dan ook de door eiser voorgestelde installatie terecht niet als een gelijkwaardig alternatief als bedoeld in artikel 1.7 van de Technische brandveiligheidsvoorschriften aangemerkt.

    Ook hetgeen overigens door eiser is aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat verweerder de betwiste voorwaarde in redelijkheid niet aan de gebruiksvergunning heeft kunnen verbinden.

    Het beroep is ongegrond.
    Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

    Beslissing

    De Rechtbank ‘s-Gravenhage,

    RECHT DOENDE:

    verklaart het beroep ongegrond.

    Rechtsmiddel

    Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

    Aldus gegeven door mr. E. Dijt en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2006, in tegenwoordigheid van de griffier A. Jansen.

2 berichten aan het bekijken - 1 tot 2 (van in totaal 2)

Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.