Brandpreventieforum Forums Jurisprudentie en wetgeving Het zal je maar gebeuren: kennis of onkunde?

12 berichten aan het bekijken - 1 tot 12 (van in totaal 12)
  • Auteur
    Berichten
  • jan hus
    Participant
    Post count: 534
    #520 |

    http://www.nieman.nl/content/TRIBAL_tsNews/atts/102007p022%20abo-zaak-gnm-snn-jgad.pdf

    Het zal je maar gebeuren: kennis of onkunde?
    Tekst: dr.ir. N.P.M. Scholten, expert Stichting Expertisecentrum Regelgeving Bouw en
    ing. A. de Jong, Adviesburo Nieman B.V., vestiging Eindhoven

    Samenvatting
    Deze publicatie illustreert waar gebrekkige regelgeving en gebrek aan kennis bij betrokkenen toe kan leiden (schade meer dan 1 miljoen Euro). De gebreken die de regelgeving zelf kent en daardoor een eenvoudige toepassing bemoeilijken zijn het
    onvoldoende beschikbaar zijn van de achtergronden van de voorschriften, de niet altijd volledig uitgeschreven doelstelling van de voorschriften in de functionele eisen en het ontbreken van een adequate toelichting bij veel van de voorschriften. Gebrek aan kennis bij veel spelers in het veld is ook een groot probleem. Dat laatste wordt weer mede veroorzaakt door gebrekkig onderwijs en gebrekkige scholing.
    In deze case werd een en ander ook nog versterkt door de opstelling van de gemeente. Ook de wijze waarop de bestuursrechtspraak functioneert, kan niet rekenen op brede
    steun bij de technici in het veld. Zij voelen zich veelal onbegrepen. Feitelijk is onze bestuursrechtspraak onvoldoende toegesneden om zich een oordeel te vellen over zaken waar de bouwregelgeving interpretatieruimte laat of beleidsruimte geeft. Het gaat in dergelijke gevallen al lang niet meer om de vraag of de gemeente in rechte zo had kunnen besluiten, maar of de gemeente en haar adviseurs wel over de kennis beschikken
    om zo te besluiten. Deze laatste vraag blijft in de estuursrechtspraak telkens weer buiten beschouwing.
    De schade in deze case overschrijdt de miljoen Euro. Er wordt met spanning gewacht op de uitspraak van de Raad van State. Niet ondenkbaar is dat ook daar alleen wordt vastgesteld dat de vergunninghouder de wet heeft overtreden, zonder dat men voldoende in de gaten heeft dat van wetsovertredingen in het geheel geen sprake was geweest als de gemeente vanuit de juiste kennis tot de juiste oordelen was gekomen.
    Het is zaak dat snel orde op zaken wordt gesteld. Zoals door de marktpartijen in het Overlegplatform bouwregelgeving is kenbaar gemaakt is er behoefte aan het volledig en helder vastleggen van de achtergronden van elk voorschrift. Ook is er behoefte om de
    beleidsruimte te beperken c.q. duidelijk af te bakenen. Daarnaast zal ten principale de kennisverspreiding ter hand moeten worden genomen. Als we van overheidswege kenniscentra oprichten en deze bemensen met personen die onvoldoende over kennis
    beschikken zal dat niet bijdragen aan de oplossing van de problemen doch eerder de verwarring die er is vergroten en de conflicten doen toenemen. Dat zal er toe leiden dat mensen zich nog verder van de bouwregelgeving gaan vervreemden. Tijd dat de echte bestuurder opstaat en het noodzakelijk proces in de goede richting gaat aansturen.

    jan hus
    Participant
    Post count: 534

    Gelijkwaardigheid inzake veilig vluchten ter discussie en aanstellen twee brandwachten aan de kaak gesteld

    Samenvatting
    Op 25 juli 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake een geschil tussen de gemeente Bunnik en ABO holding bv omtrent:
    1. het weigeren van een bouwvergunning voor een aanvraag tweede fase met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel, en
    2. een bestuursdwangaanschrijving om het verdere gebruik van het gebouw te staken, het gebouw binnen 24 uur in overeenstemming te brengen met de bouwvergunning door een overdruktrappenhuis te realiseren dan wel twee brandwachten aan te stellen tot het moment waarop de overdrukinstallatie is aangebracht (200607504/1 en 200607506/1).

    Kort samengevat komen de uitspraken er op neer dat de Afdeling van oordeel is dat:
    1. de gemeente Bunnik terecht heeft bepaald dat de door TNO Briac
    voorgestelde en door de stichting ERB en adviesburo Nieman onderschreven gelijkwaardige oplossing niet als gelijkwaardig kan
    worden aangemerkt, en
    2. de bouwverordening van de gemeente Bunnik niet de ruimte laat om via een bestuursdwangaanschrijving brandwachten aan te stellen.

    Vanuit een technisch-juridische invalshoek is de uitspraak inzake de weigering van der bouwvergunning op basis van kennis van het dossier eenvoudig onderuit te halen. Daarmee wordt dan het handelen van de gemeente in een wel heel bijzonder daglicht geplaatst.

    Bron: http://www.bouwregelwerk.org/

    jan hus
    Participant
    Post count: 534

    200607504/1.
    Datum uitspraak: 25 juli 2007

    AFDELING
    BESTUURSRECHTSPRAAK

    Uitspraak op het hoger beroep van:

    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
    "ABO Holding B.V.", gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,
    appellante,

    tegen de uitspraak in zaak no. SBR 06/2862 van de rechtbank Utrecht van 7 september 2006 in het geding tussen:

    appellante

    en

    het college van burgemeester en wethouders van Bunnik.

    1. Procesverloop

    Bij besluit van 6 september 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bunnik (hierna: het college) geweigerd bouwvergunning tweede fase te verlenen voor het aanbrengen van brandmeldinstallaties in het appartementencomplex op het perceel aan de Dorpsstraat 33 te Bunnik (hierna: het perceel).

    Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het college het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 7 september 2006, verzonden op 8 september 2006, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

    Bij brief van 15 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

    Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. E.M. van Zelm, advocaat te De Bilt, ing. A. de Jong en dr. ir. N.P.M. Scholten, deskundigen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Visée, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

    2. Overwegingen

    2.1. Het appartementencomplex bestaat uit een parkeergarage en bergingen in de kelder, winkel-/kantoorruimte op de begane grond en daarboven zeven appartementen. Het gebouw heeft één trappenhuis.

    Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft het college aan appellante bouwvergunning tweede fase verleend voor het appartementencomplex, waarbij met toepassing van artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 in plaats van een veiligheidstrappenhuis een vluchttrappenhuis met overdrukinstallatie is toegestaan. De door appellante gewenste wijziging van deze vergunning, die heeft geleid tot het primaire besluit, houdt in dat de brandveiligheidsvoorziening in de vorm van een vluchttrappenhuis met overdrukinstallatie wordt vervangen door extra rookmelders die onderling worden gekoppeld en aangesloten op een mini-meldcentrale.

    2.2. Ingevolge artikel 56a, derde lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag de bouwvergunning tweede fase slechts en moet deze worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoel in artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van toepassing is.

    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, voor zover thans van belang, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften die zijn gegeven bij of krachtens het Bouwbesluit 2003.

    Ingevolge artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003 behoeft niet te worden voldaan aan een in het tweede tot en met zesde hoofdstuk gesteld voorschrift dat moet worden toegepast om te voldoen aan een met betrekking tot een bouwwerk of een gedeelte daarvan gestelde eis, voor zover anders dan door toepassing van dat voorschrift het bouwwerk of het betrokken gedeelte daarvan ten minste dezelfde mate van veiligheid, bescherming van de gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en bescherming van het milieu biedt, als is beoogd met het betrokken voorschrift.

    Ingevolge artikel 2.153, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 heeft een te bouwen bouwwerk voldoende vluchtroutes waarlangs bij brand een veilige plaats kan worden bereikt.

    Ingevolge artikel 2.153, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 wordt, voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.153 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften. In bedoelde tabel zijn voor de woonfunctie, anders dan van een woonwagen, alle leden van artikel 2.157 aangewezen.

    Ingevolge artikel 2.157, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 beginnen ter plaatse van een toegang van een subbrandscompartiment ten minste twee rookvrije vluchtroutes die behalve bij de toegang nergens samenvallen.

    Ingevolge artikel 2.157, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003 kan, in afwijking van het eerste lid, worden volstaan met één rookvrije vluchtroute, indien het subbrandcompartiment meer dan een toegang heeft en ten minste twee van de ter plaatse van die toegangen beginnende rookvrije vluchtroutes nergens samenvallen.

    Ingevolge artikel 2.157, derde lid, van het Bouwbesluit 2003 kunnen, in afwijking van het eerste lid, de twee rookvrije vluchtroutes geheel of gedeeltelijk samenvallen, als het samenvallende gedeelte niet in een trappenhuis ligt en niet aan een ander subbrandcompartiment grenst.

    Ingevolge artikel 2.157, vierde lid, van het Bouwbesluit 2003, kan in afwijking van het derde lid, het samenvallende gedeelte aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:

    a. het samenvallende gedeelte aan niet meer dan één ander subbrandcompartiment grenst,

    b. de toegang van het subbrandcompartiment en de toegang van het andere subbrandcompartiment recht tegenover elkaar liggen en

    c. het samenvallende gedeelte niet langs een beweegbaar constructieonderdeel voert, tenzij dit deel uitmaakt van de toegang van het andere subbrandcompartiment.

    Ingevolge artikel 2.157, vijfde lid, van het Bouwbesluit 2003, kan, in afwijking van het derde lid, het samenvallende gedeelte in een trappenhuis liggen en aan een ander subbrandcompartiment grenzen, indien:

    a. de totale gebruiksoppervlakte van de woonfuncties die zijn aangewezen op dat trappenhuis niet groter is dan 800 m², geen vloer van een verblijfsgebied van die woonfuncties hoger ligt dan 12,5 m boven het meetniveau en geen van de woonfuncties een gebruiksoppervlakte heeft van meer dan 150 m²,

    b. op dat trappenhuis niet meer dan zes woonfuncties zijn aangewezen, waarvan geen vloer van een verblijfsgebied hoger ligt dan 6 m boven het meetniveau, of

    c. dat trappenhuis een veiligheidstrappenhuis is.

    Ingevolge artikel 2.157, zesde lid, van het Bouwbesluit 2003 kan een vluchtroute een gemeenschappelijke vluchtroute zijn.

    2.3. Zoals appellante ter zitting heeft verklaard, is niet langer in geschil dat voor de beantwoording van de vraag of de door haar beoogde brandveiligheidsvoorziening gelijkwaardig is aan het bepaalde in artikel 2.153, gelezen in samenhang met artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003, bepalend is of deze voorziening dezelfde mate van veiligheid biedt als is beoogd met de eis in artikel 2.157, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Bouwbesluit 2003.

    2.4. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het bouwplan terecht in strijd met het Bouwbesluit 2003 heeft geacht. Zij voert hiertoe aan dat de aan te brengen brandmeldinstallaties dezelfde mate van veiligheid bieden als is beoogd in artikel 2.153 gelezen in samenhang met artikel 2.157, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Bouwbesluit 2003, nu andere gemeenten de voorgestelde oplossing als zodanig hebben geaccepteerd en drie experts hebben verklaard dat het gebouw brandveilig is. Voorts heeft de rechtbank volgens appellante miskend dat door middel van de bouwvergunning eerste fase reeds vergunning is verleend voor een met het bouwplan vergelijkbare situatie. Ten slotte heeft de rechtbank niet onderkend dat een vluchttrappenhuis met overdrukinstallatie, zoals voorzien in de oorspronkelijke bouwvergunning tweede fase, niet realiseerbaar is, aldus appellante.

    2.4.1. Het betoog slaagt niet.

    Het college heeft aan zijn weigering bouwvergunning tweede fase te verlenen ten grondslag gelegd dat de door appellante voorgestane voorziening niet dezelfde mate van veiligheid biedt als een veiligheidstrappenhuis als bedoeld in artikel 2.157, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Bouwbesluit 2003, aangezien een veiligheidstrappenhuis gegarandeerd rook- en brandvrij is, terwijl het voorgestelde trappenhuis slechts rookvrij is. Derhalve wordt, aldus het college, niet voldaan aan artikel 1.5 van dit besluit. Het college heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het advies van het Nederlands Instituut voor Brandweer en Rampenbestrijding (Nibra) van 6 maart 2006.

    Ter weerlegging van dit advies wijst appellante tevergeefs op het memorandum van 18 april 2005 van TNO, de notitie van 18 april 2006 van adviesbureau Nieman en het advies van 10 april 2006 van het Expertisecentrum Regelgeving Bouw. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de door appellante aangehaalde stukken ten onrechte uitgaan van de gelijkwaardigheid van de door appellante voorgestane voorzieningen met de portieksituatie als bedoeld in artikel 2.157, vijfde lid, onder a en b, van het Bouwbesluit 2003, welke bepalingen, gelet op de grotere gebruiksoppervlakte en het groter aantal op het trappenhuis aangewezen woonfuncties van het appartementencomplex, niet kunnen dienen als toetsingsmaatstaf als bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003.

    Het door appellante in beroep overgelegde memorandum van 13 juli 2006 van voormeld Expertisecentrum heeft geen betrekking op de onderhavige aanvraag, maar op een nieuwe gewijzigde aanvraag en is dan ook terecht door de rechtbank buiten beschouwing gelaten.

    Anders dan appellante betoogt is bij de bouwvergunning eerste fase geen vergunning verleend om af te wijken van het bepaalde in artikel 2.157, vijfde lid, onder c, van het Bouwbesluit 2003 door het toestaan van een met het bouwplan vergelijkbare situatie, aangezien op grond van artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet de aanvraag om bouwvergunning eerste fase niet wordt getoetst aan het Bouwbesluit 2003. Dat het in de oorspronkelijke bouwvergunning tweede fase toegestane vluchttrappenhuis met overdrukinstallatie, zoals appellante betoogt, niet realiseerbaar zou zijn – hetgeen door het college wordt betwist – , is niet van belang, nu dit geen rol speelt bij de beoordeling van de vraag of het bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003.

    Voorts heeft de rechtbank, ten aanzien van de door appellante genoemde voorbeelden van gemeenten die de door haar voorgestane brandveiligheidsvoorziening zouden hebben geaccepteerd, terecht overwogen dat blijkens de gedingstukken de gemeente Den Haag de door appellante voorgestane voorziening enkel heeft geaccepteerd in combinatie met een overdrukinstallatie en uit die stukken niet is gebleken dat de gemeenten Eindhoven en Breda de voorziening zoals door appellante aangevraagd hebben geaccepteerd.

    Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat bouwplan in strijd is met het Bouwbesluit 2003 en het college derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 56a, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, van de Woningwet, gehouden was de gevraagde bouwvergunning tweede fase te weigeren.

    2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

    2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

    3. Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

    Recht doende in naam der Koningin:

    bevestigt de aangevallen uitspraak.

    Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

    w.g. Van den Brink w.g. Boermans
    Voorzitter ambtenaar van Staat

    Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

    429-488.

    jan hus
    Participant
    Post count: 534

    200607506/1.
    Datum uitspraak: 25 juli 2007

    AFDELING
    BESTUURSRECHTSPRAAK

    Uitspraak op het hoger beroep van:

    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Abo Holding B.V.", gevestigd te Driebergen-Rijsenburg,
    appellante,

    tegen de uitspraak in de zaken nos. SBR 06/2865 en 06/2869 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 7 september 2006 in het geding tussen:

    appellante

    en

    het college van burgemeester en wethouders van Bunnik.

    1. Procesverloop

    Bij besluit van 4 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bunnik (hierna: het college) appellante op grond van artikel 11.2 van de bouwverordening van de gemeente Bunnik (hierna: de bouwverordening) gelezen in samenhang met artikel 5:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onder aanzegging van bestuursdwang gelast te zorgen dat het appartementencomplex op het perceel aan de Dorpsstraat 31-43 te Bunnik (hierna: het perceel) binnen één dag voldoet aan de brandveiligheidseisen. Het college heeft daarbij bepaald dat appellante kan voldoen aan de aanschrijving door (tijdelijk) twee erkende brandwachten aan te stellen in het gebouw voor 24 uur per dag totdat een overdrukinstallatie is gerealiseerd.

    Bij besluit van 27 juni 2006 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

    Bij uitspraak van 7 september 2006, verzonden op 8 september 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

    Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 12 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

    Bij brief van 15 januari 2007 heeft het college van antwoord gediend.

    Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

    De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2007, waar appellante, vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. E.M. van Zelm, advocaat te De Bilt, ing. A. de Jong en dr. ir. N.P.M. Scholten, deskundigen, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Visée, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

    2. Overwegingen

    2.1. Aan het betoog van appellante dat de voorzieningenrechter bij de afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening ten onrechte niet is uitgegaan van de situatie ten tijde van dat verzoek moet worden voorbijgegaan. Voor zover de uitspraak strekt tot afwijzing van het verzoek van appellante om een voorlopige voorziening te treffen, is sprake van een uitspraak als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Awb. Ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de Raad van State kan tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Awb geen hoger beroep worden ingesteld.

    2.2. Ingevolge artikel 4.14 van de bouwverordening is het verboden na de bouw van een bouwwerk, waarvoor bouwvergunning is verleend, dit bouwwerk in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

    a. het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;

    b. er is niet gebouwd overeenkomstig de bouwvergunning.

    Ingevolge artikel 11.2 van de bouwverordening kunnen burgemeester en wethouders, indien het bouwtoezicht constateert dat in afwijking van het bepaalde in artikel 4.14 het bouwwerk in gebruik is genomen, de eigenaar of degene die het in zijn macht heeft aan de verboden toestand een einde te maken, aanschrijven tot staken van het gebruik of tot het alsnog voldoen aan alle voorwaarden van de bouwvergunning.

    2.3. Het college heeft in de beslissing op bezwaar het aan het besluit van 4 april 2006 ten grondslag liggende standpunt gehandhaafd dat appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 4.14 van de bouwverordening door het appartementencomplex op het perceel in gebruik te geven, terwijl in afwijking van de verleende bouwvergunning tweede fase geen overdrukinstallatie ten behoeve van de brandveiligheid in het trappenhuis is aangebracht, doch is volstaan met rookmelders in de hal van de opgeleverde appartementen.

    2.4. Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was tot handhavend optreden op grond van artikel 4.14 van de bouwverordening, omdat overeenkomstig de bouwvergunning eerste fase is gebouwd.

    2.4.1. Dit betoog slaagt niet. Op 3 april 2007 heeft de toezichthoudend ambtenaar van de gemeente Bunnik vastgesteld dat drie appartementen op het perceel in gebruik waren. Vast staat dat op dat moment het in de bouwvergunning tweede fase van 25 oktober 2004 voorziene vluchttrappenhuis met overdrukinstallatie niet was gerealiseerd, zodat niet overeenkomstig die bouwvergunning is gebouwd. Anders dan appellante betoogt, is niet reeds bij het verlenen van de bouwvergunning eerste fase een vluchttrappenhuis zonder overdrukinstallatie toegestaan, nu overeenkomstig artikel 56a, tweede en derde lid, van de Woningwet eerst bij de beslissing op de aanvraag om bouwvergunning tweede fase is getoetst aan eisen in het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot de brandveiligheid. Door het in gebruik geven van het complex terwijl er niet is gebouwd overeenkomstig de bouwvergunning tweede fase heeft appellante gehandeld in strijd met artikel 4.14 van de bouwverordening. Het college kon derhalve, gelet op artikel 11.2 van de bouwverordening, handhavend optreden.

    2.5. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

    2.6. Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat concreet zicht op legalisering bestaat, nu zij een aanvraag heeft ingediend voor het aanbrengen van brandmeldinstallaties die een gelijkwaardig alternatief bieden voor de brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit 2003.

    2.6.1. Dit betoog slaagt niet. Bij besluit van 6 september 2005 heeft het college geweigerd een gewijzigde bouwvergunning tweede fase te verlenen voor de door appellante bedoelde aanvraag, omdat de door haar voorziene brandmeldinstallatie niet dezelfde mate van veiligheid biedt als bedoeld in artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003. Het college heeft bij besluit van 27 juni 2006 deze weigering in bezwaar gehandhaafd, welk besluit bij uitspraak van heden in zaak nr. 200607504/1 (http://www.raadvanstate.nl) onherroepelijk is geworden. Derhalve heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat ten tijde van de beslissing op bezwaar geen concreet zicht op legalisering bestond.

    2.7. Voorts betoogt appellante dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat handhavend optreden in de vorm van het aanstellen van brandwachten onjuist en onevenredig is.

    2.7.1. Dit betoog slaagt. Zoals ook ter zitting van de Afdeling namens het college is erkend, biedt artikel 11.2 van de bouwverordening geen grondslag voor een last die strekt tot aanstelling van brandwachten. Het college is dan ook met het bij de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit van 4 april 2006 buiten de hem op grond van artikel 11.2 van de bouwverordening toekomende bevoegdheid getreden. De omstandigheid dat het college voor deze oplossing heeft gekozen, omdat het zich realiseerde dat de gegunde termijn van één dag te kort was om alsnog aan alle voorwaarden van de bouwvergunning te voldoen, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat de gegeven last zich niet verdraagt met hetgeen daaromtrent limitatief in artikel 11.2 van de bouwverordening is voorgeschreven.

    2.8. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van appellante alsnog gegrond verklaren. De beslissing op bezwaar van 27 juni 2006 komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.

    2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

    3. Beslissing

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

    Recht doende in naam der Koningin:

    I. verklaart het hoger beroep gegrond;

    II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 september 2006 in de zaken nos. SBR 06/2865 en 06/2869;

    III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

    IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Bunnik van 27 juni 2006, kenmerk B-2006.2454;

    V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bunnik tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Bunnik aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

    VI. gelast dat de gemeente Bunnik aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 703,00 (zegge: zevenhonderddrie euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

    Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

    w.g. Van den Brink w.g. Boermans
    Voorzitter ambtenaar van Staat

    Uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2007

    429-488.

    palmpie
    Participant
    Post count: 1222

    Kan iemand bovenstaande uitspraken even samenvatten? :)

    jan hus
    Participant
    Post count: 534

    Kan iemand bovenstaande uitspraken even samenvatten? :)

    Zie tweede reactie…

    Maar de casus is de moeite waard om in zijn geheel te lezen!

    jan hus
    Participant
    Post count: 534

    Twee interessante citaten uit de stukken van ERB:

    en:

    wopske dwdf-f
    Participant
    Post count: 91

    Wat mijn inziens ook heel interessant is, is dat de rechtbank dus ook van oordeel is dat het gelasten tot aanstellen van brandwachten niet mogelijk is!

    palmpie
    Participant
    Post count: 1222

    Gelijkwaardigheid inzake veilig vluchten ter discussie en aanstellen twee brandwachten aan de kaak gesteld

    Samenvatting
    Op 25 juli 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake een geschil tussen de gemeente Bunnik en ABO holding bv omtrent:
    1. het weigeren van een bouwvergunning voor een aanvraag tweede fase met toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel, en
    2. een bestuursdwangaanschrijving om het verdere gebruik van het gebouw te staken, het gebouw binnen 24 uur in overeenstemming te brengen met de bouwvergunning door een overdruktrappenhuis te realiseren dan wel twee brandwachten aan te stellen tot het moment waarop de overdrukinstallatie is aangebracht (200607504/1 en 200607506/1).

    Kort samengevat komen de uitspraken er op neer dat de Afdeling van oordeel is dat:
    1. de gemeente Bunnik terecht heeft bepaald dat de door TNO Briac
    voorgestelde en door de stichting ERB en adviesburo Nieman onderschreven gelijkwaardige oplossing niet als gelijkwaardig kan
    worden aangemerkt, en
    2. de bouwverordening van de gemeente Bunnik niet de ruimte laat om via een bestuursdwangaanschrijving brandwachten aan te stellen.

    Vanuit een technisch-juridische invalshoek is de uitspraak inzake de weigering van der bouwvergunning op basis van kennis van het dossier eenvoudig onderuit te halen. Daarmee wordt dan het handelen van de gemeente in een wel heel bijzonder daglicht geplaatst.

    Bron: http://www.bouwregelwerk.org/

    Sorry… ff niet goed opgelet ;)

    Wordt hier nu gesteld dat de RvS niet goed heeft opgelet…. :roll: :roll: Dat vindt ik wel een beetje arrogant. :roll:

    Als ik wat meer tijd heb zal ik me eens in deze uitspraak gaan verdiepen… :wink:

    jan hus
    Participant
    Post count: 534

    Wat mijn inziens ook heel interessant is, is dat de rechtbank dus ook van oordeel is dat het gelasten tot aanstellen van brandwachten niet mogelijk is!

    Het klinkt idd niet alsof de RvS alleen van mening is dat dat in dít geval zo is…

    "Zoals ook ter zitting van de Afdeling namens het college is erkend, biedt artikel 11.2 van de bouwverordening geen grondslag voor een last die strekt tot aanstelling van brandwachten."

    Ik zou in deze trant gerendeneerd ook geen andere situatie kunnen verzinnen waarin het dan wel toegestaan zou zijn.

    palmpie
    Participant
    Post count: 1222

    Ik denk dat vooral de aanschrijf grond verkeerd was, 11.2 bouwverordening.

    Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming
    Indien het bouwtoezicht constateert, dat in afwijking van het bepaalde in artikel 4.14 het bouwwerk in gebruik is genomen, kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar of degene, die het in zijn macht heeft aan de verboden toestand een einde te maken, aanschrijven tot het staken van het gebruik of tot het alsnog voldoen aan alle voorwaarden van de bouwvergunning.

    Ze hadden dus moeten aanschrijven bij dit artikel op bovenstaande 3 punten. Volgens mij zijn er met de woningwet nog wel andere mogelijkheden, maar of die toepasbaar zijn?

    palmpie
    Participant
    Post count: 1222

    Zou 100d Woningwet wel standhouden? :?:

12 berichten aan het bekijken - 1 tot 12 (van in totaal 12)

Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.