Een gemeente heeft een last onder bestuursdwang opgelegd aan een instantie.
De hoge raad heeft geoordeeld dat alleen een verwijzing naar deze artikels niet voldoende motivatie is voor een besluit, maar er ook een onderbouwing vanuit de genoemde NEN normen moet zijn (waarom dus de uiterste grenswaarde is bereikt).
Het zelfde gaat dus waarschijnlijk gelden bij handhaving m.b.t. brandwerende voorzieningen en dergelijke, want daar wordt meestal ook alleen verwezen naar artikels uit het bouwbesluit en niet de NEN normirigen.
2.3.1. Voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de staat van de gebouwen daadwerkelijk in strijd komt met de artikelen 2.5, 2.6 en 2.7 van het Bouwbesluit, meer in het bijzonder met de daarin genoemde NEN-normen, bestaat geen grond. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat noch in het besluit op bezwaar, noch in het besluit in primo, is toegelicht waarom de aangetroffen staat van onderhoud niet aan de in het Bouwbesluit gestelde eisen, waarbij wordt verwezen naar de NEN-normen, voldoet. De stelling van het college dat de stadsdeelinspecteur een deskundige is die de gebruikelijke werkwijze heeft gevolgd, wat daarvan zij, maakt dit niet anders. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college onvoldoende kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard en dat het besluit op bezwaar een deugdelijke motivering ontbeert. Hierbij wordt voorts in aanmerking genomen dat daarin, zoals het college ter zitting heeft erkend, door het college ten onrechte niet is gespecificeerd welke gebreken zich in welke panden voordoen, hetgeen wel van hem mocht worden verwacht.
Uitspraak is te vinden onder de volgende kenmerken:
LJN: BQ1882, Raad van State , 201009199/1/H1 en 201009200/1/H1

