--kruisje-- schreef:worden de brandslanghaspels nog elk jaar gekeurd?
Dit is de eis:
Artikel 2.4.1 Brandslanghaspel en pompinstallatie
1. Een bij of krachtens de wet voorgeschreven brandslanghaspel is
aangesloten en wordt in stand gehouden.
2. De controle en het onderhoud van een brandslanghaspel als bedoeld
in het eerste lid vindt ten minste eenmaal per jaar op adequate wijze
plaats.
Keuren mag ook een testje zijn door de koster en dit netjes aantekenen in het logboek.
Als B&W dat 'adequaat' vinden wel, maar de meeste gemeenten vragen je toch echt een bedrijf daarvoor langs te laten komen, en je haspels te laten stickeren met een houdbaarheidsdatum.
--kruisje-- schreef:Zijn het mini haspels of normale brandslanghaspels?
Maakt dat uit?
Zoals kruislijst al aangeeft: als er voldoende water uitkomt dan is het goed. Tevens moet iemand jaarlijks kijken of er nog voldoende water uitkomt.
Jazeker maakt dat uit, mini-haspels hebben een kleinere capaciteit, worp en lengte, en worden gezien als 'klein blusmiddel', net als een handbrandblusser. Wanneer de gemeente daar dus een 'brandslanghaspel' vraagt zijn minihaspels niet voldoende. Wanneer ze een geschikt blusmiddel uit het Gebruiksbesluit vragen, dan wel.
Naast de eis van de gemeente heb je ook nog de aansluitvoorwaarden van het waterleidingbedrijf waar je op moet letten, en ik neem aan dat er in de Warenwetbesluiten ook nog wel het e.e.a. over staat. Hieronder een stukje uit het boek 'Brandbeveiligingsinstallaties' van de NVBR:
De installatie moet worden aangelegd overeenkomstig de eisen van het waterleidingbedrijf. Hierbij zullen de werkbladen WB 4.5. en WB 4.5.A. van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland (VEWIN) worden betrokken.
Indien, in verband met bijvoorbeeld legionellapreventie, extra afsluiters in het leidingnet noodzakelijk zijn, is dit onder de volgende voorwaarden toegestaan:
de sleutel van de afsluiter dient afneembaar te zijn en zich niet op de afsluiter te bevinden
op de afsluiter moet de stand van de afsluiter (open-dicht) duidelijk waarneembaar zijn
de aftapkraan dient eveneens zonder sleutel te zijn uitgevoerd.
De brandslanghaspels moeten voldoen aan norm NEN-EN 671-1. Hierbij moet worden aangehouden dat de brandslanghaspels moeten zijn voorzien van een rubberen slang met een maxi-male lengte van 30 meter en een inwendige diameter van 19 mm.
De druk aan het straalpijpmondstuk moet ten minste 100 kPa bedragen. Hierbij moet rekening worden gehouden met een 'huishoudelijk gebruik' van water in het bouwwerk, dat eventueel met een tweede brandslanghaspel kan worden gecreƫerd.
Indien de onder punt 4 genoemde druk niet kan worden bereikt met de beschikbare waterleidingdruk moet een drukverhogingsinstallatie worden aangebracht (zie de paragrafen 3 en 4 van dit hoofdstuk).
De weerstand van brandslanghaspels, bij de onder punt 4 genoemde druk, bedraagt maximaal 50 kPa, zodat de druk in de waterleiding voor de toevoerafsluiter minimaal 150 kPa moet zijn.
Bij elke vaste brandslanghaspel behoort een geleiderol die het uitlopen van de slang zonder schuren, klemmen of van de trommel aflopen, mogelijk moet maken, onafhankelijk van de richting waarin de slang wordt uitgelopen. Daartoe moet de geleiderol zich bij voorkeur onder de haspel bevinden en wel zo dat het aflopende deel verticaal wordt afgevoerd (zie figuur 3.1). Hierbij is tevens van belang dat de trommel van de brandslanghaspel niet te licht draait.
Figuur 3.1 Maatvoering voor het installeren van brandslanghaspels
De trommel van de brandslanghaspel moet zo groot zijn dat de hele brandslang erin past. In opgerolde toestand mag de slang niet buiten de trommel steken.
Indien de brandslanghaspel in een nis of kast wordt aangebracht, moet dit zo worden uitgevoerd dat de brandslang gemakkelijk kan worden afgerold. De vrije ruimte aan de zijde van de afsluiter moet voldoende zijn om deze te bedienen. Verder dient er voldoende ruimte te zijn voor de geleiderol en de ophanging van de straalpijp.
De brandslanghaspel moet bij voorkeur op een hoogte van 1250 mm (hart trommel tot vloer) geplaatst worden (zie figuur 3.1).
De ophangbeugel van de straalpijp moet op dezelfde hoogte als de trommel van de brandslanghaspel worden geplaatst. De hoogte van de ophangbeugel en van de afsluiter mag niet minder dan 400 mm en niet meer dan 1800 mm vanaf de vloer zijn.
Brandslanghaspels die niet voldoende herkenbaar zijn (geplaatst in kasten e.d.) moeten worden aangeduid met een hiervoor geschikt pictogram (zie figuur 3.2).
Brandslanghaspels mogen niet in trappenhuizen of sluizen worden aangebracht.