door Jos Vroon op di 28 jun, 2011 10:43
Aangezien ik wordt aangevallen op mijn relaas over de EN54 het volgende:
Het is juist dat er een aanvulling in het PvE noodzakelijk is als er aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn die niet voldoen aan het standaard plaatje. Ook is het zo dat de toegepaste apparatuur dient te voldoen aan de EN54 reeks.
De kern van mijn betoog is dat het beschermende klepje volgens de EN54 is toegestaan MITS men onvoorwaardelijk toegang heeft tot het ruitje. Zo staat het immers omschreven in de EN54.
Het wordt een ander verhaal als de maatregel NIET voldoet aan dat beginsel.
Bovendien is het zo dat het brandetectiebedrijf verantwoordelijk is voor de projectering en alles daar omheen en NIET de brandweer.
Lees daar de Regeling Brandmeldinstallaties daar nog maar eens op na. Brandweer kan dus nooit eisen stellen die tegen dat principe ingaan. Als detectiebedrijf moet je bv zorgen dat ongewenste meldingen worden voorkomen en in voorkomende gevallen dus het omschreven klepje mag toepassen.
In het verleden was er geen regeling en ging men uit van de opmerking in de NEN2535 dat de projectering moest worden voorgelegd aan de bevoegde autoriteit. Dat is niet meer zo. Het detectiebedrijf is nu volgens de regeling Brandmeldinstallaties 2002 (later her-uitgegeven in 2009) verantwoordelijk en niet de "brandweer".
Nog een misverstand: Men gaat er vanuit dat een goedgeurd PvE moet zijn ondertekend door de brandweer. Dat is niet correct. Er wordt gesteld dat het PvE moet zijn goedgekeurd door B&W.
Noot: Ik zou graag van de diverse brandweerkorpsen willen zien dat ze tekenbevoegd zijn voor de gemeentes waar ze voor tekenen.
Dat kan ook betekenen dat men een PvE, ondertekend door de eindgebruiker, voorlegt aan B&W voor goedkeuring. Die goedkeuring kan B&W dan bv middels een brief aangeven.
Flexibele expertise voor eindgebruiker en erkend BMI bedrijf