door 2034541 op vr 24 aug, 2007 15:27
De volgende artikels uit de bouwverordening van Amsterdam hebben betrekking op de brandmeld- en ontruimingsalarminstallatie.
Art. 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties
1. Een gebruiksfunctie:
a waarvan de hoogste vloer van een verblijfsruimte is gelegen op een in tabel 2.6.1 aangegeven waarde boven het meetniveau als bedoeld in het Bouwbesluit,
b waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 aangegeven
grenswaarde,
c waarvan het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 aangegeven grenswaarde, of
d die is gelegen in een bouwwerk dat bestaat uit meer bouwlagen dan de in tabel 2.6.1 aangegeven grenswaarde, is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535.
2. In een gebruiksfunctie, niet zijnde een woonfunctie of een woongebouw,
Lid 2. In een gebruiksfunctie, niet zijnde een woonfunctie of een woongebouw, waar vanaf de toegang van een verblijfsruimte slechts in één richting kan worden gevlucht, dient de ruimte waardoor dient te worden gevlucht alsmede de ruimten van waaruit de desbetreffende vluchtroute bij brand zou kunnen worden geblokkeerd, te zijn voorzien van een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking indien er sprake is van
één of meer van de volgende situaties:
a de loopafstand tussen de toegang van een verblijfsruimte en een punt vanwaar in meerdere richtingen kan worden gevlucht, bedraagt meer dan 10 meter;
b het totale oppervlak van het gedeelte van de ruimte waardoor slechts in één richting kan worden gevlucht alsmede de op dit gedeelte aangewezen verblijfsruimten is groter dan 200 m2;
c het aantal verblijfsruimten dat is aangewezen op de desbetreffende ruimte, bedraagt meer dan twee.
Art. 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties
1. Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor alarmering dat gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit het bouwwerk kunnen vluchten.
2. Voorzover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.
3. Burgemeester en Wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en het tweede lid, indien de aard en de geringe omvang van de gebruiksfunctie daartoe aanleiding geven.
Art. 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties
1. Een gebruiksfunctie die op grond van art. 2.6.2 is voorzien van een brandmeldinstallatie, is voorzien van een ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.
2. In een gebruiksfunctie, waarop het gestelde in art. 2.6.2, tweede lid, van toepassing is, dienen de desbetreffende verblijfsruimten te zijn voorzien van een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575.
****************************************