door J. Nieuwland op di 18 jan, 2011 17:35
Dat is toevallig. Vorige week kreeg ik dit schrijven gemailed via een preventiemedewerker. Ik heb daarop gereageerd en hij heeft dit geplaatst op een blog op brandveilig.com.
54% minder nodeloze uitrukken
Met stijgende verbazing heb ik het artikel over het terugdringen van loze uitrukken in het tijdschrift Brand & Brandweer van januari 2011 gelezen. Een eenvoudige oplossing voor een complex probleem: we sluiten gewoon doormeldingen af met verwijzing naar het gebruiksbesluit en zelfredzaamheid. Die valt in de categorie “om klachten over de service te voorkomen verlenen wij geen service meer”. Vervolgens krijgen we straks de afgesloten objecten via de particuliere meldkamers terug.
Natuurlijk is het te gek voor woorden dat wij tienduizenden loze alarmen hebben die leiden tot het onnodig uitrukken van de brandweer. De oplossing daarvoor moeten we echter op een andere plaats zoeken: aan het begin van de keten. Een nodeloze uitruk wordt veroorzaakt door een nodeloos alarm. Uit mijn analyse van nodeloze alarmen blijkt dat technische storingen en hoge gevoeligheid van automatische melders voor allerlei verschijnselen die niet met zekerheid op brand duiden ten grondslag liggen aan de meeste van deze meldingen.
De probleemeigenaren zijn de gebruikers van gebouwen en de brandweer, de veroorzakers van dit probleem zijn echter in hoofdzaak de installateurs.
Met veel tamtam werd indertijd de certificering van brandmeldinstallaties als de panacee aangekondigd: de erkende branddetectiebedrijven zouden wel zorgen voor het terugdringen van loze meldingen en er waren goede afspraken over koppeling van certificering aan doormelding naar de brandweer. Er lag een grote vervangingsmarkt in het vooruitzicht dus vreugde alom bij de erkende installateurs
Helaas zijn de opgeleide projecteringsdeskundigen niet in staat gebleken om de juiste detectiemethode te kiezen: zo dat een alleen een met redelijke zekerheid vastgesteld relevant brandverschijnsel leidt tot doormelding.
Ik ben ervan overtuigd dat dit probleem veroorzaakt wordt een technisch slechte ontwerpnorm (NEN 2535) gecombineerd met door volstrekt onvoldoende kennis en opleiding van de projecterings‐deskundigen.
In de inleiding en doelomschrijving van de NEN 25325 gaat het nog goed, de technische uitwerking van de gestelde doelen is ronduit gebrekkig te noemen.
Internationale standaardwerken op het gebied van branddetectie focussen in eerste instantie op het thermisch brandverschijnsel (dat immers zorgt voor het transport van rook), een optisch verschijnsel wordt als secundair gezien. Verder wordt in de internationale wereld verwacht dat projecteringsdeskundigen op basis van kennis van brandfysica een detectiesysteem ontwerpen. Als alternatief wordt een projecteringsrichtlijn met detectorafstanden gegeven.
Wij doen dat in Nederland anders: we hebben een nagenoeg bindende projecteringsrichtlijn en geen methoden om een alternatieve projectie gebaseerd op risicoanalyse te maken. Verder is de in Duitsland veel gebruikte tweemelderafhankelijkheid van de doormelding als technische oplossing kennelijk nog niet tot ons doorgedrongen.
Onze projecteringsdeskundigen zijn door deze kennisachterstand verworden tot “NEN 2535‐lezers” die vooral de kruisjes in de goede vakjes moeten zien te krijgen, na oplevering wordt het probleem dan verplaatst naar de gebruikers en de brandweer.
Uit concurrentieoverwegingen of onkunde wordt te pas en te onpas een detector met te hoge gevoeligheid geselecteerd die omdat die een paar euro per stuk goedkoper is.
Dit geheel wordt nog bemoeilijkt door de afwezigheid van een goed sanctiemiddel, dan wel het ontbreken van de moed (van de zijde van de brandweer) om sancties op te leggen.
Projecteringsdeskundigen en systeemontwerpers past collectieve schaamte voor dit probleem, dat alleen zij kunnen oplossen. Maar ja, wie heeft het lef om naar zijn klant terug te gaan en toe te geven dat hij een verkeer systeem ontworpen heeft?
Brandweren die het PvE of ontwerp van een brandmeldsysteem beoordelen zijn hieraan deels medeplichtig, ook hen ontbeert kennis om te beoordelen of het juiste detectiemiddel gekozen is. Het voorstel van de NVBR om brandmeldsystemen dan maar af te koppelen vloeit rechtstreeks voort uit dit gebrek aan kennis en is volgens mij het ultieme zwaktebod.
De oplossing kan alleen maar zijn het beter opleiden van de mensen die zich op dit moment projecteringsdeskundige mogen noemen, waarna verwacht mag worden dat die hun verantwoordelijkheid nemen.
Marcel Lasker MIFireE, Projecteringsdeskundige
Mijn reactie hierop:
JN: Het terugdringen van ongewenste/onechte meldingen door de eisen te versoepelen cq de verantwoordelijkheid bij eigenaars/gebruikers neer te leggen is m.i niet de juiste keuze. Dit zal- na een ernstig incident wat de landelijke pers haalt en zal leiden tot kamervragen - leiden tot een jojo effect.
Stellen dat de installateurs de veroorzakers zijn van het probleem vind ik te kort door de bocht. Belangrijk bij de ingebruikname van een brandmeldinstallatie is dat er een Beheerder brandmeldinstallatie wordt aangesteld en opgeleid. Het dagelijkse beheer, het voorkomen van onechte/onechte meldingen en wanneer deze ontstaan het inlichten van het branddetectiebedrijf zijn belangrijke taken voor deze beheerder. Deze beheerder moet er ook zelf van overtuigd zijn dat zijn taak in deze belangrijk is, ook de verantwoordelijke eigenaar/gebruiker/directie moet deze mening zijn toegedaan en de beheerder de gelegenheid bieden en ondersteuning geven die voor deze taak noodzakelijk is.
Uit de praktijk blijkt verder dat brandmeldingen ook wel eens ten onrechte als een ongewenste/onechte brandmelding worden benoemd. Een voorbeeld uit de praktijk wat eind vorig jaar bij ons speelde:
Het betrof hier een verzorgingstehuis met aanleunwoningen. Door de gebouweigenaar werd het verzoek gedaan om aanwezig te zijn bij een bespreking vanwege de forse overschrijding van ongewenste/onechte meldingen samen met gebruiker en brandweer. Het logboek vermelde ongeveer 20 “brand”meldingen. De helft van deze meldingen was te wijten aan koken/bakken in de (8) gezamenlijke huiskamers (met daarin een keukenblok met kookgelegenheid en vaatwasmachine). Ter plaatse de situatie opgenomen en als oplossing aangedragen om de rookmelder nabij het kooktoestel te vervangen door thermische detectie, met handhaving van de andere rookmelder in het zitgedeelte van deze ruimte. Van de overige meldingen waren een 5-tal meldingen te scharen onder de noemer “echte melding”. Dit betrof bijvoorbeeld zwart geblakerde karbonades, oververhitte frituurpan en dergelijke, alle uit de aanleunwoningen. De 5 overgebleven meldingen betroffen bijvoorbeeld stof door schuren schilder en onduidelijke of niet verklaarbare meldingen. Resumé: In dit specifieke geval kan het totale aantal meldingen (naar RAC) halveren en wanneer de kwalificatie van meldingen juist wordt benoemd het aantal onechte/ongewenste meldingen tot een kwart worden gereduceerd!
Jammergenoeg heeft niet de beheerder/eigenaar/gebruiker het branddetectiebedrijf ingeschakeld (wat wel zijn taak is), maar heeft de brandweer dit moeten initiëren.
Certificering van een brandmeldinstallatie levert niet per definitie een “betere” installatie op. Certificering regelt dat een brandmeldinstallatie bestaat uit goedgekeurde apparatuur en wordt ontworpen en aangelegd door erkende/gecertificeerde bedrijven. Het proces tussen de start en finish (verstrekken certificaat) is voor alle betrokken partijen helder.
Zoals in elk vakgebied moet ook bij de branddetectiebedrijven de schoorsteen roken. De projecteringsdeskundige kan –en zal in sommige gevallen- bij het ontwerp van een brandmeldinstallatie (in aanbiedingsfase) de knelpunten herkennen en hierop de keuze van apparatuur aanpassen. Meestal heeft dit tot gevolg dat dit prijsverhogend werkt wat tot gevolg heeft dat deze keuze derhalve optioneel wordt aangeboden om niet bij voorbaad op basis van prijs uitgesloten te worden. Degene die betaalt bepaalt! (tot op zekere hoogte)
Het diploma projecteringsdeskundige kan worden behaald door voldoende studie en kennis van de NEN2535 aangevuld met enige praktische kennis. Het behalen van het diploma is echter nog geen garantie voor het juist functioneren en daarmee de theorie in de praktijk kunnen brengen binnen de doelstellingen van het diploma en de regelgeving. Het vak moet toch worden geleerd in de praktijk, waarbij “missers” ongetwijfeld zullen voorkomen.
De NEN2535 een slechte ontwerpnorm noemen lijkt me niet een reëel beeld. In opvolging van de NEN2535:1996 +A1 is indertijd (2007) een “groentje” (ontwerpnorm) gepubliceerd. Dit heeft geleid tot veel commentaar van o.a. branddetectiebedrijven in Nederland. Ikzelf heb hiervoor 9 pagina’s A4 aan commentaar ingediend bij NEN. Uit het feit dat het tot 2010 heeft geduurd voordat de gewijzigde norm van kracht is geworden zou kunnen worden geconcludeerd dat hier terdege aandacht aan is besteed.
Voorafgaand aan de keuze van detectie (brandgrootte) moet het doel van de brandmeldinstallatie worden beschouwd. Natuurlijk levert detectie met thermische detectie nauwelijks ongewenste/onechte meldingen op, maar levert een thermische detector een vroegtijdige brand op in een slaapvertrek….? Of accepteer je één of meer slachtoffers in de ruimte waar de brand ontstaat met behoud van de rest van bewoners of bouwwerk door thermische detectie toe te passen. Immers, uit onderzoek is herhaaldelijk naar voren gekomen dat de meeste slachtoffers vallen door de rook (vergiftiging/stikken of verlies van oriëntatie) en niet direct door het vuur/temperatuur. Bij de door de auteur genoemde “internationale standaardwerken” wordt het doel van de brandmeldinstallatie niet aangegeven.
De genoemde tweemelder afhankelijkheid is wel degelijk bekend in Nederland. Hierbij speelt in belangrijke mate ook weer het financiële aspect. Immers volgens NEN2535 moet het bewakingsoppervlak (en D-waarde) worden gereduceerd bij toepassing van tweemelder of tweegroepsafhankelijkheid, dus meer melders met daaraan gekoppeld hogere kosten.
Tweemelder-tweegroeps afhankelijkheid wordt vooral toegepast in situaties waarbij een ongewenste/onechte melding in ernstige mate overlast veroorzaakt of financiële schade. Denk hierbij aan de aansturing voor blusinstallaties, of afschakelen van automatische (productie)processen.
Het onnodig voorrijden van de rode auto’s met de blauwe lampen wordt vaak niet gezien als ernstige overlast of financiële schade. Ik herinner mij overigens een persbericht kortgeleden dat met de introductie van Meldkamer NoordNederland overschrijding van prestatie-eisen mbt ongewenste/onechte meldingen financiële gevolgen voor de veroorzaker kan hebben.
De brandweer heeft m.i wel degelijk mogelijkheden om sancties op te leggen. Indien vanuit het gebruiksbesluit een brandmeldinstallatie vereist is kan op basis van dit besluit een sanctie worden opgelegd mbt het gebruik /in gebruik nemen van het bouwwerk indien niet wordt voldaan aan artikel 2.2.1.
Voor mijzelf/onszelf sprekend kan ik zeggen dat wij wel degelijk in een aantal (ik weet er twee) gevallen naar de klant zijn teruggegaan om – na diverse inspanningen om het probleem op te lossen- aan te geven dat de keuze die indertijd gemaakt is niet de juiste is gebleken en dat we vervolgens de installatie hebben aangepast zodanig dat deze al weer lange tijd functioneert zoals in het beginstadium beoogd. In die gevallen waarbij de klant doelbewust de keuze heeft gemaakt op basis van prijs (en dus niet voor de optionele mogelijkheden heeft gekozen) is het aanpassen van de installatie natuurlijk een ander verhaal; de kosten hiervan komen voor rekening van eigenaar/gebruiker die deze in de meeste gevallen niet zomaar wil dragen!
Het is makkelijk om te roepen dat “de mensen die zich op dit moment projecteringsdeskundige mogen noemen” hun verantwoordelijkheid moeten nemen. De verantwoordelijkheid voor de totstandkoming van een brandmeldinstallatie, die binnen de gestelde prestatie-eisen -zoals vastgelegd in het Programma van Eisen- functioneert, is m.i. een gedeelde, dan wel gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Het branddetectiebedrijf maakt een aanbieding, al dan niet met opties, de eigenaar/gebruiker maakt een keuze, de brandweer geeft goedkeuring aan het opgestelde PvE, het branddetectiebedrijf maakt een ontwerp op basis van de aanbieding en het goedgekeurde Pve, het (erkende) installatiebedrijf of branddetectiebedrijf legt de installatie aan, stelt in bedrijf en certificeert, de beheerder brandmeldinstallatie beheert de installatie als gedelegeerd verantwoordelijke namens eigenaar/gebruiker.
J. Nieuwland
It moat al in goede sprekker wêze dy't it in swijer ferbetteret