Artikel "Fire Safety Engineering"
Laatst aangepast op : 2008-10-19 15:44:14
In Nederland begint het begrip ‘Fire Safety Engineering’, ofwel FSE, snel aan bekendheid te winnen. De term, welke is overgewaaid vanuit Amerika en Engeland, wordt steeds vaker gebezigd in tijdschriften, publicaties en uitzendingen die over het thema (brand)veiligheid gaan.
Wat wordt er nu precies verstaan onder FSE? En waarom kan het zo interessant zijn dit toe te passen?
Wat is het?
Zoals al uit de term zelf valt af te leiden, gaat het bij FSE over het ontwerpen, rekenen en construeren met in het achterhoofd een brandveiligheidsgedachte. Door een bepaalde bouwkundige uitvoering kan een gebouw meer of minder veilig zijn om te ontvluchten, beter of slechter beheersbaar voor de brandweer etc.
Degenen onder u die met het bouwbesluit werken, kunnen daarin tussen de regels door een brandveiligheidgedachte terugzien. Tijdens het opstellen van de functionele eisen en de maatregelenpakketen van het bouwbesluit is beoordeeld welke risico’s er bestaan, en hoe deze beinvloed kunnen worden door een bepaalde maatregel te treffen. De zaken die aan een dergelijke beoordeling ten grondslag liggen, kunnen diverse zijn. Bij de brandveiligheidsartikelen uit het bouwbesluit is o.a. uitgegaan van de Brandbeveiligingsconcepten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, de AROR (algemene richtlijnen ontvluchten en redden), praktijkervaring etc. etc.
Dergelijke overwegingen waren destijds een voorbeeld van FSE in haar meest pure vorm. Zonder een vast kader vooraf een bepaalde risico-evaluatie maken, en proberen deze risico’s tot aanvaardbaar niveau terug te brengen door op technisch gebied bepaalde maatregelen te nemen, op basis van de dan aanwezige kennis en middelen.
Het toepassen van de regels en normen welke uit dit proces voortkomen, is dus eigenlijk geen FSE, omdat de risico-afwegingen en de maatregelen reeds door een ander zijn bepaald.
“Welnu”, zou u kunnen zeggen: “Wanneer de wetgever al deze moeite heeft gedaan om voor ons het risico en de maatregel vast te stellen, waarom dan nog zelf hieraan gaan rekenen?”
Om een antwoord op die vraag te kunnen geven, moeten we eerst weten hoe de bouwregelgeving ‘werkt’. Daar het onmogelijk is voor elk individueel gebouw in elke denkbare uitvoering regels te gaan opstellen, is besloten een omschrijving te geven van 12 standaard gebouwtypes. Aan deze types zijn nog enkele bijzondere subtypes gekoppeld, maar in principe moet elk gebouw in een van die twaalf categorieën worden ingedeeld.
Daarnaast kent het Bouwbesluit een indeling in bezettingsgraden. Dit zijn aanduidingen (B1 t/m B5) welke aangeven hoeveel personen er per vierkante meter aanwezig zijn.
Op basis van die twee gegevens worden eisenpakketten vastgesteld. Voor elk te beschouwen aspect wordt eerst gesteld wat het doel van het aspect is (de zgn. functionele eis), en daarna volgt een opsomming van maatregelen (de zgn. prestatie-eisen). Wanneer er compleet wordt voldaan aan alle prestatie-eisen, mag er door de wetgever vanuit worden gegaan dat er ook aan de functionele eis is voldaan, en is het gebouw voor dat aspect dus ‘voldoende veilig’ te noemen.
Geen enkel gebouw is echter hetzelfde, en technologische ontwikkelingen staan niet stil. Zowel aan de uitvoerende als de toestende kant van de tekentafel worden constant nieuwe inzichten opgedaan, nieuwe producten ontworpen, en wellicht is het op een bepaald moment zo dat er door toepassing van een bepaald product, of een bepaald nieuw inzicht, op een andere manier aan de functionele eis voldaan kan worden dan de prestatie-eisen opgeven! De wetgever heeft dit voorzien, en in het Bouwbesluit is een artikel opgenomen (art. 1.5) welk het mogelijk maakt deze nieuwe ontwikkelingen toe te passen, mits men aan kan tonen dat aan het opgelegde niveau van veiligheid, de functionele eis, voldoet. Dit is het zogenaamde ‘gelijkwaardigheidsprincipe’, waaraan elders op deze site een artikel is gewijd. Gelijkwaardigheidsbepaling en FSE gaan hand in hand, de een heeft de ander nodig om geloofwaardig te zijn.
Op het moment dat op brandveiligheidsgebied deze gelijkwaardigheid wordt gevraagd, wordt aan de ontwerper van het gebouw het verzoek gedaan FSE toe te passen. Hij zal de uitgangspunten van het Bouwbesluit moeten nemen, en dan op een verantwoorde, bij voorkeur wetenschappelijk ondersteunde, manier moeten aantonen dat een bepaald niveau wordt gehaald, in plaats van dat er aaneen vastgelegde maatregel wordt voldaan.
Voorbeelden van FSE
Een van de meest bekende vormen van FSE in de bouwwereld is waarschijnlijk het berekenen van de beheersbaarheid van een brandcompartiment wat groter is dan door het Bouwbesluit wordt toegelaten. Hier zijn diverse methoden voor, maar de meest gebruikte (en geaccepteerde) is waarschijnlijk de Methode Beheersbaarheid van Brand 2006. Hierin staan diverse alternatieve maatregelenpakketten omschreven, welke in uitvoering afhankelijk zijn van bijvoorbeeld de vuurlast, stapelhoogtes, de mogelijkheid voor een succesvolle binnenaanval door de brandweer of een aanwezige sprinkler-installatie.
Deze methode laat duidelijk zien dat hoewel er van de uitgangspunten van het Bouwbesluit wordt uitgegaan (art. 2.103; een brand moet beheersbaar zijn), de oplossingrichting geheel anders is. Het Bouwbesluit beperkt zich tot enkel bouwkundige maatregelen, terwijl bij FSE naar wens gebruik kan worden gemaakt van bouwkundige, installatie-technische en zelfs gebruikstechnische maatregelen.
Een ander veelgebruikte toepassing van FSE is het maken van een vultijdenmodel voor rook. De eis uit het bouwbesluit omschrijft dat er voor ontvluchting een of meer veilige routes beschikbaar moeten zijn, en dat deze routes een bepaalde maximale lengte mogen hebben. Deze lengtes zijn gebaseerd op de snelheid van de vluchtende personen, en de mate waarin zij door rook gehinderd kunnen worden bij het vluchten. Wanneer door middel van FSE kan worden aangetoond dat de rook (gedurende een bepaalde tijd) geen rol speelt, kunnen de vluchtafstanden langer worden. Uitkomst van een dergelijke berekening zou kunnen zijn dat het nodig is rook af te voeren door extra openingen, waarvan op hun beurt de toe- en afvoercapaciteit doorgerekend dient te worden.
Problematiek
Zo op het eerste oog lijkt FSE het antwoord op ieders vragen te zijn, maar in de uitvoering ervan lopen de betrokken partijen vaak tegen problemen op. De meeste ontwikkelaars hebben zelf niet de kennis in huis om FSE-vraagstukken op te lossen, en moeten daarom kosten maken om de specialistische kennis in te kopen. Daarbij heerst bij de ontwikkelaar vaak het idee dat de adviseur met een totaaloplossing komt, terwijl deze echter slecht een klein onderdeel van het gebouw beschouwd (wat gezien het kostenaspect ook vaak de specifieke opdracht is). Bij het toepassen van een gelijkwaardige oplossing kan het verder zo zijn dat de uitvoering uitwerkingen heeft op andere wettelijk vereiste maatregelen.
Bij het beoordelen van een gebouw dient daarom op een integrale manier te werkt worden gegaan. Het gehele gebouw moet beoordeeld worden, niet slechts een enkel aspect. Bij elke gelijkwaardige maatregel moet terug worden gekeken in het proces om te zien of er gevolgen zijn voor de verdere uitvoering.
Een recente ontwikkeling hierin is het per gebouw opstellen van een Masterplan Brandveiligheid, waarin op alle nodige aspecten tegelijk wordt ingegaan in plaats van het opstellen en samenvoegen van allerlei losse deeladviezen.
Ook aan de toetsende kant zijn er problemen, voornamelijk bij het beoordelen van de plannen op hun gelijkwaardigheid. Dit zou slechts kunnen wanneer er bij de toetsende partij een even groot inzicht in de materie aanwezig is als bij de adviseur. In de praktijk is dit bijna nooit het geval, en in combinatie met een bepaald gevoel van wantrouwen (hoe gefundeerd of ongefundeerd ook) kan dit ertoe leiden dat een potentieel goed plan niet als gelijkwaardig wordt geaccepteerd.
De toekomst
In Nederland is het tot nu toe slechts mogelijk je op te laten leiden in verschillende afzonderlijke aspecten van FSE, maar het is nog niet mogelijk om een hogere opleiding te volgen of een graad te behalen in integraal FSE. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland, waar het mogelijk is een Master-graad hierin te behalen. Diverse universiteiten in Nederland en België zijn hiervoor momenteel leergangen aan het ontwikkelen.
Dankzij certificatie-systemen, belangenverenigingen en onderwijsinitiatieven zijn de toetsende, adviserende en uitvoerende groepen nu reeds dichter tot elkaar gekomen. De huidige ontwikkelingen laten zien dat er steeds meer specifieke maatregelen voor individuele gebouwen ontworpen worden. Meer en meer bedrijven krijgen bekendheid en affiniteit met gelijkwaardige oplossingen, en er worden meer en meer soorten gelijkwaardigheden aangedragen bij gemeenten als toetsende partij.
We zien dat Nederland zich steeds meer probeert te onttrekken aan het keurslijf van het ‘standaard’ gebouw zoals dat omschreven wordt in het Bouwbesluit, en hoogwaardige alternatieven nastreeft met een gelijkwaardig of zelfs hoger niveau van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid. FSE zal hier ook in de toekomst een grote rol in blijven spelen.
Door Joachim Bolte
.gif)



